#140: Doelbewuste fouten

Het recht van de verdachte op een eerlijk proces is een van de belangrijkste uitgangspunten van het strafrecht. En dat proces vindt niet alleen ter zitting plaats. In Nederland is het opsporingsonderzoek misschien wel net zo belangrijk. Gezien de plannen voor de modernisering van het wetboek van strafvordering zal de focus nog meer op het onderzoek dat vooraf gaat aan de zitting komen te liggen. Het naleven van de spelregels in die fase van een strafzaak zijn van groot belang om te kunnen spreken van een eerlijk proces. Indien de spelregels in het opsporingsonderzoek niet worden nageleefd dan kan bewijs worden uitgesloten, strafvermindering worden toegepast en onder omstandigheden kan het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk worden verklaard.

Dat gebeurde bijvoorbeeld in de inmiddels roemruchte Landlord zaak. Rechtbank Limburg oordeelde dat er dusdanig grote fouten waren gemaakt dat het recht van de verdachte op een eerlijk proces was geschonden en dat van ‘grove veronachtzaming’ van die rechten kon worden gesproken. Het Openbaar Ministerie werd niet-ontvankelijk verklaard. Inmiddels zijn de kaarten opnieuw geschud. Het Openbaar Ministerie heeft haar huiswerk gedaan en het Hof ervan weten te overtuigen dat er weliswaar fouten zijn gemaakt, maar dat van doelbewuste of grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte geen sprake is geweest.

Het Hof meent dat de Rechtbank haar oordeel voor een deel op feitelijke onjuistheden heeft gebaseerd. Zo is volgens het Hof hetgeen de rechtbank als mededelingen van de zaaksofficier van justitie heeft weergegeven, feitelijk onjuist. Verder meent het Hof dat de Rechtbank voor een aantal onderdelen niet heeft kunnen vaststellen dat sprake is van doelbewuste veronachtzaming van de belangen van de verdachte. Zo oordeelt het Hof dat de Officier van Justitie weliswaar zorgvuldiger had kunnen zijn bij het voorlichten van de Rechtbank, maar de Officier van Justitie zou niet doelbewust onjuiste informatie hebben verstrekt. Op een aantal punten verenigt het Hof zich met het oordeel van de Rechtbank, zoals op het punt dat de getuigenverklaringen van de recherche officier en de CIE-officier tegenstrijdigheden bevatten, maar meent dat de verdachte daardoor niet in zijn belangen is geschaad. Aan de toets of de belangen van de verdachte opwegen tegen het belang van strafvervolging komt men dan niet toe.

Duidelijk is dat zeer kritisch wordt gekeken naar met name het bewijs dat sprake is van doelbewuste veronachtzaming van de belangen van de verdachte en of de verdachte wordt benadeeld door die schending. Op dat punt zal door de verdediging het nodige huiswerk moeten worden gedaan. De jurisprudentie laat duidelijk zien het niet altijd onverdienstelijk is dat huiswerk te verrichten. Rechtbanken en hoven schuwen niet het Openbaar Ministerie een tik op de vingers te geven indien sprake is van fouten in het vooronderzoek en is aangetoond dat die ‘fouten’ doelbewust het doel hebben de rechten van de verdachte te schaden en de verdachte ook daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden.

Zo toonde Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zich onlangs kritisch(er dan de Rechtbank in die zaak) ten opzichte van de intenties van het Openbaar Ministerie. In dit arrest van 6 oktober 2015 is volgens het Hof door verbalisanten doelbewust een proces-verbaal aangepast om de juiste gang van zaken ten aanzien van de start van een onderzoek te maskeren. Het bewijs hiervoor is volgens het Hof geleverd door het onderzoek dat naar het proces-verbaal is ingesteld, waarbij relevant is dat er twee versies bestonden. Daardoor was – duidelijker wellicht dan in de Landlord zaak – welke onderdelen van het proces-verbaal waren aangepast. Duidelijk is geworden dat in de tweede versie elke mogelijke verwijzing naar een verdenking op grond van de Opiumwet heeft willen maskeren ter vermijding van discussie over de vraag of er wel een redelijk vermoeden van schuld ter zake van overtreding van de Opiumwet was toen men overging tot onderzoek aan de persoon van verdachte en de door hem bestuurde auto’. De waarheidsvinding is belemmerd en het recht op een eerlijk proces tekort gedaan, aldus het Hof. Het Hof kwalificeert dit verzuim als ‘zeer ernstig’ en komt tot het oordeel dat de belangen van de verdachte op grove wijze zijn veronachtzaamd en dat aan het belang van de samenleving bij vervolging en berechting van de verdachte minder gewicht toekomt. Het Openbaar Ministerie moet deze fout bekopen met een niet-ontvankelijk verklaring. Reden genoeg om de gang van zaken in het opsporingsonderzoek kritisch tegen het licht te houden, zo heeft ook de verdediging in die zaak gemeend.

Ook Rechtbank Noord-Holland was onlangs nog kritisch op de fouten van het Openbaar Ministerie. In deze zaak was aan de verdachte niet de cautie gegeven en er was geen proces-verbaal opgemaakt van een bezoek aan het bedrijf door de verbalisanten. Over enige doelbewuste schending van belangen rept de Rechtbank niet, maar de vormverzuimen worden wel gekwalificeerd als ‘zeer ernstig’ en de Rechtbank oordeelt dat de verdachte erdoor ook in zijn belangen – bescherming van de verdachte tegen onrechtmatig overheidsoptreden en het bevorderen van de transparantie en controle van overheidsoptreden – is geschaad. De Rechtbank acht in dit geval strafvermindering in de vorm van een schuldig verklaring zonder oplegging van straf passend.

Hoe ga jij om met (potentiële) vormverzuimen in jouw zaken? Biedt de huidige stand van de jurisprudentie voldoende prikkels om er werk van te maken?

Geen reacties

Plaats een reactie