#140: Doelbewuste fouten

Het recht van de verdachte op een eerlijk proces is een van de belangrijkste uitgangspunten van het strafrecht. En dat proces vindt niet alleen ter zitting plaats. In Nederland is het opsporingsonderzoek misschien wel net zo belangrijk. Gezien de plannen voor de modernisering van het wetboek van strafvordering zal de focus nog meer op het onderzoek dat vooraf gaat aan de zitting komen te liggen. Het naleven van de spelregels in die fase van een strafzaak zijn van groot belang om te kunnen spreken van een eerlijk proces. Indien de spelregels in het opsporingsonderzoek niet worden nageleefd dan kan bewijs worden uitgesloten, strafvermindering worden toegepast en onder omstandigheden kan het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk worden verklaard.Lees verder

#127: Het trage malen van gerechtelijke molens

In strafzaken staat de waarheidsvinding voorop. De discussie over de vraag of de waarheid überhaupt bestaat daargelaten, zijn er vele factoren van invloed op het achterhalen of benaderen van de waarheid. Zo zal relevante informatie door verloop van tijd niet altijd meer beschikbaar zijn. In veel gevallen zullen de verklaringen die verdachten en getuigen kunnen afleggen omtrent de vermeende strafbare gedraging, een van de belangrijkste bronnen zijn om de waarheid te achterhalen. Door verloop van tijd kunnen de herinneringen van verdachten en getuigen vervagen. Ook kunnen herinneringen veranderen. Hoewel overschrijding van de redelijke termijn om een strafzaak te behandelen in beginsel leidt tot strafvermindering (zie daartoe HR 17 juni 2008), is onlangs de nodige jurisprudentie verschenen waarin het Openbaar Ministerie een ‘tik op de vingers’ heeft gekregen voor het te lang wachten met het aanbrengen van de zaak, waardoor de waarheidsvinding in het gedrang is gekomen. Ons inziens een juiste ontwikkeling.Lees verder

#110: Hoe structureel wil je vormverzuimen hebben?

Iedere Nederlander wordt geacht de wet te kennen en de wet na te leven. Maar hoe staat het met de degenen die controleren of wij dat ook doen? Onlangs bood kersverse minister van justitie Van der Steur het rapport getiteld ‘parate kennis bevoegdheden politie’ aan de Voorzitter van de Tweede Kamer aan. Het rapport gaat in op de politieambtenaren die het dagelijks contact met de bevolking hebben. De conclusie is dat er winst te boeken is op het niveau van de parate kennis ten aanzien van staande houden en aanhouden, onderzoek aan de kleding en aan het lichaam, binnentreden, doorzoeken, in beslag nemen en identiteitsonderzoek. Verwijt de pot de ketel dat hij zwart ziet?Lees verder

#109: De opkomst van beginselen

Het geluid ‘vroeger was alles beter’ hoort u weleens vanuit de advocatuur. In de tijd waar vormverzuimen floreerden, had men nog mooie verhalen aan de borreltafel. Nu is een omslag merkbaar en moeten advocaten andere kansen grijpen. Deze kansen liggen bijvoorbeeld in het materiële strafrecht. De Hoge Raad ziet nu streng toe op de bewijsmotivering van bijvoorbeeld opzet en medeplegen. Maar waar de Hoge Raad zaak na zaak casseert omdat de feitenrechters het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk hebben verklaard vanwege vormverzuimen op grond van artikel 359a Sv, lijken de feitenrechters oog te houden voor dit verschijnsel. Ons inziens terecht. Immers bestaat er tot op heden geen enkel ander mechanisme waardoor vormverzuimen in toom worden gehouden. Daarnaast komt de straffeloosheid van vormverzuimen de rechtstaat niet ten goede. Aangezien de motiveringseisen van artikel 359a Sv dusdanig hoog liggen, is een andere trend waarneembaar: beginselen.Lees verder

#088: Officier, hoeveel belang hecht u aan de zaak?

In het strafrecht geldt dat een zaak binnen een redelijke termijn moet worden afgedaan. Het is een misvatting dat een strafzaak in een paar maanden wordt afgerond. Het drukbezette rechterlijke systeem en opsporingsapparaat maakt dat men eerder aan jaren moet denken dan aan maanden. Met de bezuinigingen binnen de overheid zal dat niet snel veranderen. Een veelgehoorde klacht van verdachten – die begrijpelijkerwijs graag snel duidelijkheid willen hebben en de strafzaak achter zich wensen te laten – is dat het zo lang duurt. Een officier van justitie is niet altijd gemakkelijk te prikkelen de zaak op korte termijn te behandelen. Overigens is dat vermoedelijk veelal te wijten aan de enorme hoeveelheid werk en de beperkte mankracht om dat werk te verzetten. Toch levert dit tijdsverloop bijzonder frustrerende situaties op voor de betrokkenen die onderwerp zijn van een strafrechtelijke procedure. De procedure brengt onzekerheid met zich en kan bijvoorbeeld gevolgen hebben voor het werkzame en sociale leven van de verdachte. Met name indien de zaak onnodig veel tijd in beslag neemt is het de vraag welk belang dan moet prevaleren. Dat van de maatschappij of van de verdachte die nog altijd onschuldig is tot het tegendeel is bewezen? Is het niet beter minder zaken te vervolgen en de geselecteerde zaken zorgvuldiger en sneller te behandelen?

Het ziet er naar uit dat rechters in Nederland het Openbaar Ministerie een halt toe roepen. Hoewel de Hoge Raad heeft geoordeeld dat overschrijding van de redelijke termijn niet tot niet-ontvankelijk verklaring van het Openbaar Ministerie kan leiden maar tot strafvermindering, gaf Rechtbank Midden-Nederland het Openbaar Ministerie in het vonnis van 3 oktober 2014  toch een ontvankelijkheidstik op de vingers. In deze ontnemingszaak is in 2008 bij (tussen)beslissing bepaald dat de behandeling voor onbepaalde tijd is geschorst nu onvoldoende duidelijk was de benadeelde partij een civiele vordering aanhangig zou maken. Sindsdien is echter niets meer gebeurd. Ook aan het herhaaldelijk verzoek vanuit de rechtbank een compleet dossier beschikbaar te stellen werd door het Openbaar Ministerie niet voldaan. Tevens ontbrak de originele ontnemingsvordering in het dossier. Het verweer van het Openbaar Ministerie dat de redelijke termijn op ontnemingszaken niet van toepassing is kon dit fiasco niet redden. De rechtbank oordeelde dat de mogelijkheden voor het voeren van een adequate verdediging aan de zijde van de veroordeelde – door het tijdsverloop en het overlijden van de medeveroordeelde – zijn verminderd.

Ook Hof Amsterdam heeft opgetreden tegen de onzorgvuldigheid van het Openbaar Ministerie in het arrest van 23 september 2014. Het pleegjaar in deze zaak was 2006, daarop wees de politierechter vonnis in oktober 2009 waartegen hoger beroep is ingesteld. De zaak diende sindsdien drie keer bij het Hof, de zaak werd twee maal nietig verklaard en de zaak is één keer aangehouden omdat het Openbaar Ministerie de verdachte (per abuis?) steeds niet had opgeroepen op het bekende adres. Het Hof heeft uit die omstandigheden afgeleid dat het Openbaar Ministerie geen belang meer hechtte aan de vervolging van de verdachte en heeft het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard.

Ons inziens terechte tikken op de vingers. Maar het is zeker niet eind goed al goed, want dergelijke situaties komen vaker dan eens voor. Wat vindt het Openbaar Ministerie hier zelf van? En hoe serieus worden deze gevallen genomen binnen het Openbaar Ministerie? Wie wordt erop aangesproken en wie legt verantwoording hierover af?

Wat is jullie ervaring met dit soort kwesties? Grijpen rechters in indien het Openbaar Ministerie het (te) bont maakt?

#061: (On)redelijke duur van het strafproces

Artikel 6 EVRM geeft de verdachte in beginsel fundamentele rechtsbescherming in een strafproces. Artikel 6 beschermt het recht op een openbare zitting voor een onafhankelijke en onpartijdige rechtbank binnen een redelijke termijn, de aanname van onschuld en andere basisrechten voor verdachten. Schending van deze fundamentele rechten wordt door het Europees Hof van de Rechten van de Mens niet gehonoreerd. Ten aanzien van het bestraffen van een schending is de Hoge Raad echter (veel) terughoudender. Toch blijkt de Nederlandse rechtspraak onder omstandigheden ontvankelijk te zijn voor de fundamentele rechten die voortvloeien uit artikel 6 EVRM en wordt  het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging indien die fundamentele rechten niet worden gerespecteerd. Onlangs werd de uitspraak van Rechtbank Amsterdam van 13 maart 2014 gepubliceerd. Uit deze uitspraak blijkt dat – ondanks de duidelijke richtlijn van de Hoge Raad dat strafvermindering volgt op overschrijding van de redelijke termijn – het Openbaar Ministerie het onder omstandigheden toch echt te gortig maakt. Rechtbank Amsterdam heeft in dit geval het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de verdachte, nu geen sprake is van een tijdige berechting.

Wat onder een redelijke termijn wordt verstaan is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Het hangt af van i) de ingewikkeldheid van de zaak; ii) de invloed van de verdachte of zijn raadsman op het procesverloop en iii) de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is afgehandeld. Overschrijding van de redelijke termijn wordt volgens jurisprudentie van de Hoge Raad in de regel gecompenseerd met strafvermindering. Overschrijding van de redelijke termijn leidt niet tot niet-ontvankelijkheid, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Een treffend voorbeeld daarvan is het arrest van 17 juli 2008. In die zaak is in cassatie geklaagd dat in de cassatiefase de redelijke termijn voor berechting – als bedoeld in artikel 6 EVRM en 14 IVBPR – is overschreden, omdat vanaf het moment waarop beroep is cassatie werd ingesteld te veel tijd is verstreken tot het moment waarop de stukken ter griffie van de Hoge Raad zijn ontvangen. Met andere woorden, het is aan de rechterlijke instanties te wijten dat het proces (onredelijke) vertraging heeft opgelopen. De Hoge Raad overweegt dat de verdachte op 28 juni 2006 beroep in cassatie heeft ingesteld en dat de stukken eerst bijna een jaar later, op 22 juni 2007, ter griffie van de Hoge Raad zijn binnengekomen. Dat brengt volgens de Hoge Raad inderdaad met zich dat de redelijke termijn is overschreden. Echter, de enkele vaststelling van de inbreuk op artikel 6 EVRM is volgens de Hoge Raad voldoende. 

Toch is Rechtbank Amsterdam van oordeel dat in de onderhavige zaak de fundamentele rechten van de verdachte op onaanvaardbare wijze zijn geschonden. De Rechtbank onderkent expliciet de inhoud van het arrest van 17 juli 2008,  maar meent dat in dit geval niet kan worden volstaan met iets anders dan niet-ontvankelijk verklaring. Daarbij is van belang dat de verdachte op 22 februari 2008 is aangehouden en in verzekering is gesteld. Op 10 maart 2008 is de gevangenhouding aangevangen. Op 30 mei 2008 heeft de eerste inhoudelijke behandeling ter zitting plaatsgevonden en is het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst. Sindsdien is niets meer gebeurd in het dossier. Dat geen handelingen meer zijn verricht is ook ter zitting van 27 februari 2014 door de officier van justitie bevestigd. De officier heeft aangegeven te vermoeden dat het dossier reeds in de zomer van 2008 gereed was. In juni 2012 is reeds verzocht om beëindiging van de zaak van de medeverdachte. Daartegen had de officier van justitie geen bezwaar en het verzoek is in oktober 2012 gehonoreerd. Ondertussen is de zaak van de verdachte 5,5 jaar onaangeroerd gebleven. Dat dit te gortig was meende de officier van justitie (gelukkig) ook. Hij rekwireerde tot niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

De overwegingen van de rechtbank zijn helder. In dit geval dienen de betrokken belangen tegen elkaar te worden afgewogen. Enerzijds zijn dat de belangen die de gemeenschap houdt – ondanks termijnoverschrijding – bij normhandhaving door berechting en anderzijds de belangen van de verdachte bij het voorkomen dat hij (langer dan redelijk is) onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging moet leven. Gelet op het “enorme” tijdsverloop van ruim vijf jaar moeten in dit geval de belangen van de verdachte prevaleren.

Met deze uitspraak – een (andere uitkomst in) hoger beroep is nagenoeg ondenkbaar – komt de spreekwoordelijke uitzondering op de regel vast te staan. Duidelijk is dat het OM een ‘tik op de vingers’ krijgt indien sprake is van een enorme periode waarin de bevoegde autoriteiten niets hebben ondernomen om de zaak te behandelen. Echter, zonder een dergelijk enorm tijdsverloop kan het Openbaar Ministerie rustig aan doen op straffe van slechts eventuele strafvermindering. Ons inziens draagt deze rechtspraak niet bij aan een EVRM-proof behandeling van zaken door het Openbaar Ministerie. Zonder harde deadlines ontbreekt iedere stimulans bij het Openbaar Ministerie om zaken voortvarend te behandelen.

Wat is jouw ervaring met dergelijke gevallen? Heeft de rechter consequenties verbonden aan de overschrijding van de redelijke termijn en zo ja, welke?

#013: Het doel heiligt niet altijd de middelen

Dat een inval van de FIOD de nodige impact heeft op betrokkenen is geen geheim. Busjes komen massaal voorrijden, de hele buurt is op de hoogte, de kinderen worden wakker gemaakt, met zaklampen wordt door – soms gewapende – onbekenden in hun ogen geschenen. Vader, moeder en kinderen worden in aparte kamers gezet en als de FIOD ambtenaar een slechte dag heeft, is zelfs een glaasje water of een bezoekje aan het toilet teveel gevraagd. Dergelijke invallen gaan gepaard met het nodige machtsvertoon en laten hun sporen na  bij de betrokkenen. 

Onlangs publiceerde het Duitse Der Spiegel een treffend artikel met de titel Razzia, Wie es sich anfühlt, wenn Steuerfahnder das Haus durchsuchen’In het artikel illustreert de auteur dat een inval, ook als die met een sisser af blijkt te lopen, haar sporen blijvend achterlaat bij de betrokkene(n). In dit geval heeft de betrokkene de Belastingambtenaren binnengelaten in zijn woning. Hij vraagt zich hardop af wat zou zijn gebeurd als hij niet thuis was. De ambtenaren delen de betrokkene daarop mee dat zij zichzelf dan toegang zouden hebben verschaft tot de woning. De betrokkene bedenkt zich dat het nog altijd zijn eigen woning is waar híj het voor het zeggen heeft. Maar ineens weet de betrokkene ook dat niet meer zeker.

Het artikel wekt een beeld op van een persoon die zich over het algemeen niet zo maar van de wijs laat brengen. Maar de kilheid waarmee de betrokkene wordt benaderd en de onverschilligheid van de ambtenaren ten aanzien van de inbreuk op de rechten van de betrokkene, geven deze persoon het unheimische gevoel dat hij geen zeggenschap meer heeft over zijn eigen leven. Ook de op het eerste gezicht milde benadering door de ambtenaren, zonder wapens en bombarie, blijkt een onuitwisbare indruk op de betrokkene te maken.  

In Nederland oordeelde de Nationale Ombudsman al eens over een klacht van een verdachte belastingplichtige over een inval in zijn woning. In deze zaak deed de FIOD een inval bij iemand die al jarenlang het slachtoffer bleek van identiteitsfraude. Hij had ten onrechte diverse gewelddadige antecedenten op zijn naam staan. Daardoor was ook de zogeheten ‘gevarenclassificatiecode 02’ gekoppeld aan zijn personalia. Van deze identificatiefraude heeft de verdachte  – alsook zijn echtgenote – veel last gehad. Met name toen een melding ongebruikelijke transactie leidde tot een doorzoeking van de FIOD van de woning van de belastingplichtige, waarbij wapendragers werden ingezet. Dit terwijl de gevarenclassificatiecode ten onrechte aan de betrokkene was toegekend.

Tijdens de huiszoeking was een ruim aantal gewapende agenten aanwezig en kwam een aantal van hen met getrokken pistool de woning binnen. Niet alleen stond de inval op het netvlies van de belastingplichtige gebrand, ook de buurtbewoners hebben de inval kunnen aanschouwen. Na deze inval was de belastingplichtige dusdanig in diskrediet geraakt in de buurt, dat hij zich genoodzaakt zag te verhuizen. Ook werd hij in de zakenwereld niet langer als een betrouwbare zakenpartner gezien, waardoor het voor hem bijna onmogelijk werd om zijn bedrijf uit te oefenen.

De minister van financiën heeft destijds aangegeven dat de FIOD de veiligheidsrisico’s heeft ingeschat en dat niet bekend was dat bepaalde antecedenten ten onrechte op naam van de belastingplichtige stonden. De Nationale Ombudsman meent echter dat het evenredigheidsvereiste inhoudt dat het doel de middelen niet altijd heiligt. Voor het bereiken van een doel dient een middel te worden aangewend dat voor de betrokkenen niet onnodig bezwarend is en dat bovendien in verhouding staat tot het doel. Dat houdt in dat de FIOD geen onnodig machtsvertoon toepast bij de doorzoeking van een woning. In dit geval was de inzet van wapendragers bij de doorzoeking in strijd met het evenredigheidsvereisten en de onderzochte gedraging was niet behoorlijk. De Nationale Ombudsman maakt aldus duidelijk dat de ingezette middelen niet onnodig bezwarend mogen zijn voor de betrokkenen.

De FIOD zet echter wel vaker middelen in, die als ernstig bezwarend worden ervaren. Hof Arnhem Leeuwarden oordeelde eerder dit jaar nog over een zaak waarin de FIOD een inval heeft gedaan in de woning van een buurman van de verdachte, zonder daartoe gemachtigd te zijn. Het Hof oordeelde dat het huisrecht van de buurman was geschonden. De persoon in kwestie heeft hierdoor materiële en immateriële schade opgelopen. Daarnaast heeft de buurman een posttraumatisch stresssyndroom ontwikkeld door de inval. In de uitspraak is vermeld ‘zoals de Staat zelf naar voren heeft gebracht, moest X. (omdat niet kon worden vastgesteld of het hier om de persoon ging waar de FIOD naar op zoek was) op zijn knieën gaan zitten, met zijn handen plat op het hoofd. Y. werd gesommeerd om haar handen te laten zien en plaats te nemen op een stoel aan de keukentafel. Appellanten hebben in dit verband verder nog onweersproken aangevoerd dat het hun werd verboden de kinderen die op het moment van de inval in een nabijgelegen kamer lagen te slapen, gerust te stellen’. Het Hof heeft in deze zaak geoordeeld dat door de inval een ernstig  inbreuk is gemaakt op de integriteit van de persoon van de bewoners en de veiligheid van hun woning, aldus bestaat recht op schadevergoeding. Het Hof kent een immateriële schadevergoeding toe van € 4500,- en een materiële schadevergoeding van € 4500,-. Het is geen vetpot, maar biedt wel enige erkenning voor de geleden schade.

Opsporingsdiensten lijken zich niet altijd te realiseren wat de impact is van hun handelen. Of het nou de buurman is of de verdachte zelf, nooit mag uit het oog worden verloren dat het minst bezwarende middel dient te worden ingezet. Uiteraard dient met het nodige gezag opgetreden te worden, maar nooit met misplaatst machtsvertoon. Dit is iets waar de overheid ons inziens ferm tegen op moet treden. Een schadevergoeding dekt misschien enkele kosten, maar zal de onnodig beschadigende ervaring nooit wegnemen.

Wat is jullie ervaring met invallen van de opsporingsdiensten? Is steeds een zo min mogelijk bezwarend middel voor de betrokkene ingezet of is het wel eens – al dan niet bewust – buitensporig geweest? Wat voor een invloed heeft dit gehad op een cliënt? En worden daaraan dan consequenties verbonden door de rechter in de vorm van een schadevergoeding of strafvermindering? Bestaat er aanleiding om onevenredig machtsvertoon op hoger niveau aan de kaak te stellen?