#203: Onrechtmatig bewijs in de fiscaliteit

Vormverzuimen in het belastingrecht en het strafrecht worden in de huidige tijd met de mantel der liefde bedekt. De jurisprudentie van de Hoge Raad is zeer strikt als het gaat om het verbinden van gevolgen aan vormverzuimen. Het idee daarachter is dat een belastingplichtige of een verdachte niet mag profiteren van fouten die door de overheid worden gemaakt. Gelukkig zijn er – nog steeds – grenzen. Een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 29 november 2016 die begin 2017 werd gepubliceerd geeft een mooi voorbeeld van een zaak in het belastingrecht omtrent een informatiebeschikking waarin een inspecteur veel te ver is gegaan zodat het door hem verzamelde materiaal op geen enkele wijze in de procedure mag worden gebruikt.

In het strafrecht vormt artikel 359a Sv de grondslag om te bepalen of dan wel welk gevolg aan een vormverzuim moet worden verbonden. Hierover schreven wij diverse malen op vaklunch.nl zoals bijvoorbeeld in Vaklunch #179. In het belastingrecht bestaat er geen specifieke bepaling op grond waarvan gevolgen kunnen worden verbonden aan vormverzuimen begaan door de Belastingdienst. Niettemin heeft de belastingkamer van de Hoge Raad in de jurisprudentie een misschien nog wel strenger criterium ontwikkeld vergeleken met het strafrecht. In Vaklunch #106 schreven wij over het arrest van de Hoge Raad van 20 maart 2015 waarin de Hoge Raad het eerder geformuleerde criterium voor bewijsuitsluiting herhaalde, hetgeen is gebaseerd op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het gebruik van bewijsmateriaal dat in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur is verkregen, is alleen niet toegestaan indien het is verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht (BNB 1992/306). Dat is onder meer het geval indien het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM (indien van toepassing) wordt geschonden.

In de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 29 november 2016 stond een informatiebeschikking ter discussie die door de inspecteur was uitgevaardigd omdat de belastingplichtige verschillende vragen niet beantwoord zou hebben. De belastingplichtige stelde daar tegenover dat de vragen niet gesteld hadden mogen worden nu deze vragen enkel gebaseerd waren op een ordner die onrechtmatig door de inspecteur was verkregen. Wat was er gebeurd?

Bij de belastingplichtige heeft een huisbezoek plaatsgevonden. In artikel 1 van de Algemene wet op het Binnentreden (hierna: AwBi) is bepaald dat indien een woning wordt binnengetreden de betreffende persoon zich dient te legitimeren en mededeling dient te doen van het doel van het binnentreden. De rechtbank overweegt dat een dergelijk huisbezoek in beginsel een inbreuk maakt op het recht op privacy ex artikel 8 EVRM. Van een inbreuk op het privéleven is volgens vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens bij een huisbezoek geen sprake indien de rechthebbende toestemming voor het binnentreden heeft gegeven. De toestemming moet op basis van vrijwilligheid zijn gegeven. Dit betekent dat de betrokkene zijn toestemming moet hebben gebaseerd op volledige en juiste informatie over reden en doel van het huisbezoek. De bewijslast dat sprake is geweest van deze toestemming rust op het overheidsorgaan. Zie hiervoor ook de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 11 april 2007. De inspecteur had zich in de onderhavige zaak als lid van het Afpakteam in het kader van de invordering voorgesteld en op die gronden had hij toestemming gekregen om de woning te betreden. In werkelijkheid had hij in zijn hoedanigheid van inspecteur bewijsmiddelen vergaard met het doel die te gebruiken voor de belastingheffing terwijl hij voor het binnentreden als inspecteur geen toestemming had.

De rechtbank beschouwt dit als een ernstige inbreuk op het grondrecht van artikel 8 van het EVRM en oordeelt dat het bewijs is verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. Omdat de informatiebeschikking geheel op de informatie uit de bewuste ontoelaatbaar geachte ordner komt is de informatiebeschikking vernietigd.

Wij vinden het een goede ontwikkeling dat het recht op privacy hoog in het vaandel staat bij de rechtbank en een belangrijke graadmeter is bij het beoordelen van de vraag of de overheid zich op een behoorlijke wijze heeft opgesteld. Een behoorlijke overheid moet ook gewoon ‘normaal doen’ zullen we vandaag de dag maar zeggen. Overigens is een van de leden van de rechtbank die oordeelden over deze zaak inmiddels raadsheer bij de Hoge Raad. Wij hopen derhalve dat de gestelde grenzen ook weerklank vinden bij de Hoge Raad.

Heb je vragen over dit onderwerp of wil je hierover van gedachten wisselen? Neem contact met ons op via boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

Geen reacties

Plaats een reactie