#203: Onrechtmatig bewijs in de fiscaliteit

Vormverzuimen in het belastingrecht en het strafrecht worden in de huidige tijd met de mantel der liefde bedekt. De jurisprudentie van de Hoge Raad is zeer strikt als het gaat om het verbinden van gevolgen aan vormverzuimen. Het idee daarachter is dat een belastingplichtige of een verdachte niet mag profiteren van fouten die door de overheid worden gemaakt. Gelukkig zijn er – nog steeds – grenzen. Een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 29 november 2016 die begin 2017 werd gepubliceerd geeft een mooi voorbeeld van een zaak in het belastingrecht omtrent een informatiebeschikking waarin een inspecteur veel te ver is gegaan zodat het door hem verzamelde materiaal op geen enkele wijze in de procedure mag worden gebruikt.Lees verder

#179: Zijn rechters nog altijd ongehoorzaam?

De Hoge Raad heeft een strenge en duidelijke lijn uitgezet als het gaat om het sanctioneren van vormverzuimen. Politie en justitie dienen zich gedurende het opsporingsonderzoek uiteraard te houden aan de regels zoals geformuleerd in het Wetboek van Strafvordering. Doen zij dat niet, dan kunnen dergelijke vormverzuimen consequenties hebben. Artikel 359a Sv vormt de grondslag om te bepalen of dan wel welk gevolg aan een vormverzuim moet worden verbonden. Een van die gevolgen is de sanctie van bewijsuitsluiting. Het is aan de verdediging om op basis van de criteria, zoals uiteengezet door de Hoge Raad, een dergelijke sanctie te bewerkstelligen. Vorig jaar werd een trend ontdekt waarbij rechters sneller gevolgen verbonden aan vormverzuimen dan wellicht was bedoeld door de Hoge Raad. Is deze trend nog steeds waarneembaar?Lees verder

#168: Verblind door het maatschappelijk belang?

Wij schreven al eerder over het ambtsedig opgemaakt proces-verbaal dat in het huidige wetboek van strafvordering (Sv) een bijzondere bewijswaarde heeft. Artikel 344 (2) Sv bepaalt dat een strafbaar feit bewezen kan worden verklaard op grond van een door een opsporingsambtenaar opgemaakt proces-verbaal. In #148 stelden wij aan de orde welke consequentie zou moeten worden verbonden aan een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek indien dat vormverzuim bestaat uit een onjuist en/of misleidend ambtsedig proces-verbaal. In geval van een doelbewuste schendig levert de sanctie van niet-ontvankelijkheid ons inziens het gewenste signaal op om dergelijke fouten in de toekomst te voorkomen. De trend in de jurisprudentie is echter dat een fout in een ambtsedig proces-verbaal – na ontdekking – wordt hersteld en om die reden niet als onherstelbaar vormverzuim wordt gekwalificeerd. Een aantal recente uitspraken tonen echter dat dit vormverzuim een meer structureel dan incidenteel karakter lijkt te krijgen waardoor het vertrouwen in het ambtsedig proces-verbaal onherstelbaar wordt aangetast. Is het structurele karakter dan niet voldoende reden om dit probleem serieus aan te pakken?Lees verder

#156: Een stap vooruit, twee stappen terug?

In #114 schreven wij al over het – spraakmakende – arrest van Hof Arnhem-Leeuwarden van 22 april 2015 waarin is geoordeeld dat de doorzoeking van een smartphone, die op basis van artikel 94 Sv door een opsporingsambtenaar in beslag was genomen, een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek is in de zin van artikel 359a Sv. De reden daarvan was dat de technische ontwikkelingen, volgens het hof, met zich brachten dat er niet alleen toegang werd verkregen tot verkeersgegevens maar ook tot inhoud van communicatie en de privé informatie van de gebruiker van de smartphone. En dit allemaal zónder enige vorm van voorafgaande beoordeling van de subsidiariteit en proportionaliteit van de bevoegdheid door een rechter.Lees verder