#120: Het strafrecht als optimum remedium

De richtlijnen voor de Aanmelding en Afhandeling Fiscale Delicten (‘AAFD-richtlijnen’) zijn in het leven geroepen om te beschrijven hoe een belastingambtenaar mogelijke delicten op de gebieden van belastingen, toeslagen en douane dient aan te melden bij justitie. Ook beschrijven de richtlijnen hoe zaken door de Belastingdienst en het Openbaar Ministerie worden ‘uitverkozen’ voor strafrechtelijke afdoening. Op 25 juni 2015 is het besluit gepubliceerd met het nieuwe protocol AAFD dat vandaag, 1 juli 2015, in werking treedt. Blijkens het protocol is de groeiende behoefte aan snelle, (strafrechtelijk) interventies – een vorm van proactief, strafrechtelijk optreden ter voorkoming van (verdere) maatschappelijke schade – één van de drijfveren hierachter. Het strafrecht zal niet langer worden gezien als het ‘geïsoleerd repressief sluitstuk van de handhavingsketen’. In plaats van een ultimum remedium wordt het strafrecht ingezet als optimum remedium. Een instrument dat in verbinding staat met de andere vormen van handhaving en toezicht. Maar hoe zat het ook alweer met de richtlijnen die tot 1 juli 2015 golden? En wat zijn de meest in het oog springende wijzigingen?

De richtlijnen die tot 1 juli 2015 golden zijn te verdelen in 3 fases. Fase 1 is de aanmeldingsfase. Een ambtenaar moet vermoedens van een strafbaar feit melden bij de boete-fraudecoördinator indien het fiscaal nadeel ten minste € 10.000 voor een particulier bedraagt en € 15.000 voor een onderneming. De boete-fraudecoördinator beoordeelt of sprake is van opzet en draagt in dat geval de aangemelde zaak voor in het selectieoverleg. Fase 2 is het selectieoverleg dat wordt gevormd door de FIOD, de contactambtenaar van de Belastingdienst en de boete-fraudecoördinator. In dit overleg wordt getoetst of een zaak terecht is aangemeld en het selectieoverleg adviseert of – op basis van de bewijsbaarheid – een zaak in aanmerking komt voor opsporing. De zaken worden verdeeld in twee categorieën. Categorie I betreft de zaken waarin het nadeel dat aan opzet is te wijten minder dan € 125.000 bedraagt. Categorie II betreft de zaken waarin het nadeel dat aan opzet te wijten is meer dan € 125.000 bedraagt. Categorie I zaken worden bestuurlijk afgedaan door de Belastingdienst als geen sprake is van één van de indicatoren uit de richtlijnen (bijvoorbeeld of de betrokkene een voorbeeldfunctie heeft of sprake is van recidive). Indien sprake is van één of meer indicatoren zal de zaak doorgaan naar fase 3. Categorie II zaken komen ook zonder een van deze indicatoren in aanmerking voor de volgende fase. Fase 3 is het tripartiete overleg (TPO) tussen de officier van justitie, de contactambtenaar, de boete-fraudecoördinator en de FIOD. In het TPO wordt getoetst of een zaak voldoet aan de Richtlijnen voor strafrechtelijke afdoening. Indien dat het geval is zal een opsporingsonderzoek worden ingesteld, anders gaat de zaak terug naar de Belastingdienst voor bestuurlijke afdoening.

Het nieuwe protocol moet voorkomen dat administratieve handelingen moeten worden verricht waarvan eigenlijk al bij voorbaat vaststaat dat deze niet strafrechtelijk maar bestuursrechtelijk moeten worden afgedaan. Daarom is de hoogte van de drempelbedragen geregeld in het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB). De aanmeldingscriteria in het nieuwe protocol zijn dat – bij een nadeelbedrag van € 100.000 – de zaak wordt aangemeld voor (mogelijke) strafrechtelijke vervolging indien sprake is van een vermoeden van opzet. Indien het nadeel minder is dan € 100.000, dan wordt de zaak alleen aangemeld als sprake is van een vermoeden van opzet en indien een of meerdere van de ‘aanvullende wegingscriteria’ daartoe aanleiding geven. Deze wegingscriteria zijn de indicatoren uit de vervangen richtlijnen – waarvan de toelichting daarop op onderdelen is aangepast – en daaraan is als factor toegevoegd de vraag of sprake is van ‘thematische aanpak’ door justitie. In die gevallen is bijvoorbeeld sprake van een actie gericht op specifieke groepen belanghebbenden of fiscale onderwerpen

De wijzigingen brengen met zich mee dat gevallen waarin sprake is van een (relatief) laag nadeel, minder snel worden betrokken in een strafrechtelijk traject. Anderzijds kunnen zaken die voorheen in categorie I vielen toch voor strafrechtelijke afdoening in aanmerking komen als de zaak past binnen een thema waar justitie op dat moment haar pijlen op richt. Aangezien de thematische aanpak van justitie niet wordt gepubliceerd, zullen de TPO stukken een grotere rol gaan spelen. Hoewel de AAFD stukken in beginsel geen processtukken zijn, moeten deze stukken in voorkomende gevallen wel aan het dossier worden toegevoegd. En dat de AAFD-richtlijnen ook daadwerkelijk rechtsbescherming (kunnen) bieden aan verdachten blijkt uit een het vonnis van 17 april 2013 van Rechtbank Zeeland-West-Brabant. In die zaak oordeelde de Rechtbank dat de betreffende zaak de toets van de richtlijnen niet doorstond. Het openbaar ministerie werd op basis daarvan niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de verdachte.

Wat is jouw ervaring met het ‘AAFD proces’? Krijgt de verdediging voldoende inzicht in de besluitvorming van de Belastingdienst en het openbaar ministerie? En hoe gaan rechters daarmee om?

1 Comment

Plaats een reactie