#383: Appelleren ≠ riskeren

Appelleren is riskeren is een vaak gehoorde kreet. Het lijkt zelfs soms alsof rechtbanken een net iets lagere straf opleggen dan op basis van de feiten verwacht zou worden, om te voorkomen dat een verdachte in hoger beroep gaat. Het risico op een hogere straf zorgt er dan voor dat de verdachte het vonnis van de rechtbank op de koop toe neemt en berust in de uitkomst. Gelukkig kan een hoger beroep ook goed uitpakken zodat deze recht doet aan de feiten.

De zaak lag als volgt: de verdachte huurde een woning voor een bedrag van € 2.150,- per maand. In de woning is ook een huurcontract aangetroffen alsmede diverse facturen waaruit blijkt dat een tweetal huursommen cash zijn betaald. Verder zijn tijdens de doorzoeking de volgende items aangetroffen: een sealapparaat, sealzakken, huishoudfolie, latex handschoenen, meerdere telefoons en meerdere rollen tape, waarvan bekend is dat deze bij het verpakken van verdovende middelen worden gebruikt. Uit onderzoek naar de financiën van verdachte blijkt dat hij een laag inkomen heeft en dat hij weinig geld op zijn bankrekeningen heeft staan.

Gelet op het hoge bedrag aan huur, het contant betalen van de huur en het ontbreken van (zichtbare) legale financiën die kunnen verklaren dat verdachte een huur van € 2.150,- kan betalen, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen (zonder bekend gronddelict). Dit mede in combinatie met de items die zijn aangetroffen in de woning. Op basis van het stappenplan van de Hoge Raad oordeelt de rechtbank dat sprake is van een vermoeden van witwassen en dat het dan aan de verdachte is om met een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring te komen over de herkomst van het geld. Verdachte heeft daarover echter geen verklaring afgelegd. De rechtbank oordeelt vervolgens op basis daarvan dat het niet anders kan zijn dan dat de huursommen afkomstig zijn uit enig misdrijf en veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken met een proeftijd van 2 jaren en een geldboete van € 2.000,-.

Ondanks deze redelijk milde straf gelet op de LOVS richtlijnen gaat de verdachte in hoger beroep. Een risico? Misschien wel, maar het Gerechtshof Amsterdam spreekt de verdachte vrij. Een relevant gegeven is dat uit de door het hof vastgestelde feiten blijkt dat één van de bewoners heeft verklaard dat de verdachte hoofdhuurder is van de woning en dat de andere bewoners een bedrag van € 2.150,00 betalen aan de verdachte voor de huur. Het hof is op grond daarvan van oordeel dat het onderzoek naar de financiën van de verdachte niet zonder meer kan bijdragen aan het vermoeden van witwassen, nu uit het bovenstaande volgt dat de huur niet afkomstig is uit het vermogen van de verdachte en hij kennelijk slechts heeft gefungeerd als doorgeefluik van deze huur. Ook oordeelt het hof dat er in het dossier geen relevante aanknopingspunten worden gegeven die de verdachte in verband kunnen brengen met de in de woning aangetroffen voorwerpen. Nu enig onderzoek hiernaar in het dossier ontbreekt oordeelt het hof dat ook deze omstandigheden niet kunnen bijdragen aan een vermoeden van witwassen. Het hof spreekt de verdachte daarom vrij.

Zoals wij reeds vaker in de Vaklunch hebben geschreven, loont het om kritisch te kijken naar de omstandigheden die zouden bijdragen aan een verdenking van witwassen. Gelukkig doet het hof dat ook en pakt het appel goed uit voor de verdachte.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl. Uiteraard is het ook mogelijk om over dit onderwerp te praten in een Vaklunch on demand bij jou op kantoor.

1 Comment
  • Ir JH Postma

    7 augustus 2020 at 15:37 Beantwoorden

    Als dank voor uw interessante artikelen maak ik u attent op een kleine verschrijving :”….
    om te voorkomen dat een verdachte niet in hoger beroep gaat”. Laat dat “niet” maar weg.
    HG,
    HP

Plaats een reactie