#196: Een pleidooi is geen bewijs

Zoveel advocaten, zoveel meningen. En dus ook zoveel strategieën. Het komt in de praktijk wel voor dat een aanvankelijk gekozen verweer of strategie op een later moment wordt aangepast. Bijvoorbeeld in hoger beroep. Of indien een andere advocaat de zaak heeft overgenomen. In voorkomende gevallen kan een eerder gevoerd verweer of een eerder gegeven toelichting op de feiten op zijn minst ‘ongelukkig’ worden genoemd. In die gevallen kan de vraag opkomen of het pleidooi of de verklaring van de raadsman als bewijs kan worden gebruikt. Maar het strafrecht kent geen vrije bewijsleer, de wet bepaalt wat wel en niet als bewijs kan dienen. Het pleidooi en de verklaring van de raadsman vallen daar niet onder. Toch komt het voor dat de Hoge Raad – ondanks de duidelijke lijn in de jurisprudentie – zich geconfronteerd ziet met zaken waarin Hoven ten onrechte een mededeling of pleidooi van de raadsman wél als bewijs hebben gekwalificeerd.

Op 22 november 2016 oordeelde de Hoge Raad over een zaak waarin het Hof de mededeling van de raadsman van de medeverdachte als bewijsmiddel in de zaak van de verdachte had aangemerkt. In de zaak van de verdachte is ter zitting het proces-verbaal van inhoudelijke behandeling van de zaak in eerste aanleg van de medeverdachte besproken. Daarin staat dat de advocaat van de medeverdachte ter zitting heeft gezegd ‘mijn cliënt [de medeverdachte dus] is zo stom geweest om zich te laten gebruiken door [verdachte]’. De medeverdachte heeft ter zitting in tweede aanleg aangegeven dat hij daar niet op zal reageren. De vastlegging hiervan in het proces-verbaal van de zitting is gebruikt als bewijs voor de veroordeling van de verdachte. In cassatie is daartegen geklaagd. De Hoge Raad oordeelt dat de opvatting van het Hof is dat de verklaring van deze raadsman als bewijs kan worden aangemerkt. De Hoge Raad maakt daar onder verwijzing naar artikel 339, lid 1, Sv korte metten mee. Een verklaring van de raadsman (van de medeverdachte) is geen strafvorderlijk bewijs. Daarmee houdt de Hoge Raad vast aan de lijn uit zijn arrest van 15 december 2009.  De zaak is voor het betreffende feit teruggewezen naar Gerechtshof Den Haag.

Op basis van artikel 339, lid 1, Sv kunnen de eigen waarneming van de rechter, verklaringen van de verdachte, de getuige of de deskundige en schriftelijke bescheiden als bewijsmiddel dienen. In artikel 344 Sv is nader toegelicht welke schriftelijke bescheiden als bewijsmiddel kunnen dienen. Dat zijn onder meer processen-verbaal van openbare colleges, voorzover het om door die colleges te nemen beslissingen gaat of om een vastlegging van feiten en omstandigheden die zij hebben waargenomen. In artikel 344 Sv is echter ook opgenomen dat ieder schriftelijk bescheid als bewijsmiddel kan dienen, mits deze worden ondersteund door andere bewijsmiddelen. Kan een pleitnota dan onder omstandigheden wel als bewijsmiddel dienen?

Ook hier is de Hoge Raad duidelijk over. Zou een pleitnota als bewijsmiddel dienen dan zou dat de wonderlijke situatie opleveren dat een (mondelinge) mededeling van de advocaat enerzijds niet als bewijs kwalificeert, maar een schriftelijk document opgesteld door de advocaat anderzijds wel. In 2006 heeft de Hoge Raad hier al een stokje voor gestoken door te beslissen dat deze uitgangspunten niet met elkaar te verenigen zijn. Een door de advocaat overgelegde pleitnota kan aldus niet worden aangemerkt als een wettig bewijsmiddel in de zin van artikel 339 jo. 344 Sv. Ons inziens is dat het enige juiste uitgangspunt.

De in onze optiek onnodige fout van Gerechtshof Den Haag in de zaak die leidde tot het arrest van 22 november 2016, leidt voor de verdachte in ieder geval tot een nieuwe ronde. Of er ook écht nieuwe kansen zijn is gelet op de overige bewijsmiddelen echter de vraag. De tijd zal het leren.

Heb je te maken met een dergelijke situatie of wil je hierover van gedachten wisselen? Neemt dan contact met ons op via boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

Geen reacties

Plaats een reactie