#135: Een friendly reminder van de Hoge Raad

In artikel #119 besteedden wij al aandacht aan de vervolgingsuitsluitingsgrond van artikel 69 lid 4 AWR. Dit artikel bepaalt dat – indien een delict kan worden gekwalificeerd als bedoeld in artikel 69, eerste en tweede lid, AWR – de verdachte niet (ook) mag worden vervolgd voor valsheid in geschrifte als bedoeld in artikel 225, tweede lid, Sr. Wij signaleerden toen dat dergelijke vervolgingen in de praktijk niettemin met enige regelmaat voor blijken te komen. De omgekeerde situatie – vervolgen voor een fiscaal delict terwijl (wellicht) sprake is van artikel 225 Sr – doet zich echter ook voor. Dit blijkt uit een arrest van de Hoge Raad van 6 oktober 2015.

In dit arrest staat artikel 52 (oud) AWR centraal. Dit artikel bepaalt – kort gezegd – dat administratieplichtigen een deugdelijke administratie dienen te voeren. Op de tenlastelegging staan drie feiten die allemaal verband houden met het verwijt dat de verdachte opzettelijk geen deugdelijke administratie heeft gevoerd. Het Hof heeft geoordeeld dat de ten laste gelegde feiten A, B en C kunnen worden bewezen omdat verdachte in de periode van 1 april 2005 tot en met 14 april 2006 geen administratie heeft gevoerd conform de eisen als opgenomen in de Belastingwet, terwijl hij daartoe verplicht was. Feit A behelst het niet opnemen, verwerken of voorhanden hebben van (kopie-)verkoopfacturen in de bedrijfsadministratie. Feit B en C zien op het opnemen, verwerken of voorhanden hebben van inkoopfacturen die in strijd met de waarheid zijn opgemaakt. Bijvoorbeeld door dat een onjuiste inkoper is vermeld op de facturen.

Het Hof heeft het onder B en C bewezenverklaarde gekwalificeerd als een misdrijf dat strafbaar is gesteld in artikel 69, eerste lid, AWR. Daartegen is in cassatie opgekomen. De Hoge Raad heeft niet veel woorden om het cassatieberoep gegrond te verklaren en geeft een friendly reminder door naar een eerder arrest te wijzen. De Hoge Raad overweegt:

“De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 22 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR8030, geoordeeld dat van de aan de fiscale administratieplicht als bedoeld in art. 52 AWR gekoppelde bewaarplicht onjuiste of valse stukken niet zijn uitgezonderd. In het licht van dit arrest getuigt het oordeel van het Hof dat de verdachte door het opnemen en/of verwerken en/of voorhanden hebben in de administratie van in strijd met de waarheid opgemaakte (kopie-) inkoopfacturen en vrachtbrieven niet een administratie overeenkomstig de bij of krachtens de Belastingwet gestelde eisen heeft gevoerd, van een onjuiste rechtsopvatting.”

Uit het arrest van het Hof volgt niet dat de verdediging in feitelijke aanleg naar dit arrest van de Hoge Raad heeft verwezen. Hieruit blijkt maar weer dat de fiscale strafrechtpraktijk een vak apart is en dat de AWR zijn eigen eigenaardigheden kent. Het Openbaar Ministerie had naar aanleiding van een dergelijk verweer overigens kunnen verzoeken om een wijziging tenlastelegging, zodat alsnog valsheid in geschrift ten laste zou worden gelegd. Immers is het vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 2 november 1993, NJ 1994, 180) dat bedrijfsadministratie in haar geheel als een geschrift kan worden aangemerkt. Het (laten) opnemen van een valse factuur in een bedrijfsadministratie levert om die reden vervalsing van deze bedrijfsadministratie op.

Wat is jouw ervaring met dit soort gevallen? Welke strategie verdient de voorkeur? Vind jij dat de tenlastelegging had kunnen worden gewijzigd? En is dit – zoveel jaren nadien – opportuun?

Geen reacties

Plaats een reactie