#237: Begrijpelijk straffen

De straftoemeting is toevertrouwd aan de feitenrechters. De Hoge Raad laat zich daar nauwelijks over uit nu het toemeten van een straf een zeer feitelijke aangelegenheid is. De feitenrechters hebben daar dan ook veel vrijheid in. Dit resulteert veelal in zeer summiere strafmotivering. In Vaklunch #155  verzochten wij de rechterlijke macht om de hoogte van de straf beter te motiveren zodat inzicht wordt verkregen in de diverse afwegingen die ten grondslag liggen aan een straf. Een straftoemeting is echter niet geheel onaantastbaar. De straf moet wel begrijpelijk zijn gemotiveerd. Hierover schreven wij al eerder in Vaklunch #212 . Op 19 september 2017  heeft de Hoge Raad nu opnieuw een cassatiemiddel gegrond verklaard vanwege onbegrijpelijkheid van de straftoemeting.

De verdachte is in deze zaak veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee weken vanwege overtreding van artikel 9, lid 2, van de Wegenverkeerswet, het rijden zonder rechtsgeldig rijbewijs. De strafoplegging is onder meer als volgt gemotiveerd:

“Het hof is met de politierechter van oordeel dat, gelet op de aard en de ernst van het feit en het Uittreksel Justitiële Documentatie van 8 oktober 2015 waaruit blijkt dat verdachte eerder voor hetzelfde feit is veroordeeld, niet met een andere straf kan worden volstaan dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof ziet in het aangevoerde ter zitting geen aanleiding om af te wijken van hetgeen de oriëntatiepunten straftoemeting voor het onderhavige feit aangeven. Een dergelijke straf van hierna te noemen duur acht het hof passend en geboden.”

Bij de stukken bevindt zich een uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister. Daaruit volgt dat de verdachte eerder onherroepelijk is vrijgesproken voor het rijden zonder rijbewijs. Los van enkele andere veroordelingen voor feiten die geen relatie hebben tot de Wegenverkeerswet is de verdachte wel eerder veroordeeld voor het rijden onder invloed. Echter, het Hof heeft geoordeeld dat de verdachte eerder voor ‘hetzelfde feit’ is veroordeeld. De Hoge Raad casseert op dit punt omdat de strafmotivering niet zonder meer begrijpelijk is aangezien het uittreksel Justitiële Documentatie geen blijk geeft van een veroordeling voor hetzelfde feit.

Uit een voetnoot in de conclusie van de Advocaat-Generaal volgt dat dergelijke fouten vaker voorkomen. In diverse arresten van de Hoge Raad wordt de zaak gecasseerd vanwege een onbegrijpelijke strafmotivering omdat conclusies worden getrokken uit de Justitiële Documentatie die niet getrokken kunnen worden. Het is aldus raadzaam voor de verdediging ook de strafmotivering kritisch tegen het licht te houden. Wellicht biedt dit mogelijkheden in cassatie.

Heb je vragen over straftoemeting in de praktijk of wil je met ons van gedachte wisselen over het voorgaande? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

#131: Fiscale versus strafrechtelijke straftoemeting

Indien de inspecteur van mening is dat opzettelijk een onjuiste aangifte is gedaan, dan wordt de vergrijpboete gebaseerd op de belastingheffing die voortvloeit uit de correcties ter zake van een of meer tekortkomingen in de aangifte waaraan de kwalificatie ‘opzet’ kan worden verbonden. In het arrest van de Hoge Raad van 4 januari 2013 (Belastingkamer) worden de overwegingen van het Hof in stand gelaten waarin het Hof deze duidelijke koppeling aanbrengt tussen de boetegrondslag en het opzet. In een recente uitspraak van het Hof Amsterdam wordt deze rechtsregel toegepast. Een reminder voor ons allen om per correctie of onderdeel van de aanslag nauwkeurig na te gaan of opzet kan worden bewezen. Ook de strafrechtadvocaat kan hier zijn voordeel mee doen.Lees verder

#071: Voldoende georiënteerd?

In de praktijk maakt het Openbaar Ministerie voor het bepalen van de te eisen straf veelal gebruik van oriëntatiepunten. Aan de hand van verschillende indicatoren wordt bepaald welke straf passend zou zijn voor het strafbare feit waarvan de betrokkene wordt verdacht. Ook rechtbanken en hoven blijken dergelijke oriëntatiepunten steeds meer te hanteren. Of dit een toe te juichen ontwikkeling is is echter nog maar de vraag. Alle bijzondere omstandigheden kunnen niet per geval in richtlijnen worden opgenomen, maar iedere concrete zaak dient wel op zijn eigen merites beoordeeld te worden. Het is dus aan de verdediging om de rechter te prikkelen zich voldoende te oriënteren op alle omstandigheden van het geval en maatwerk te leveren.

Hof Den Haag wees onlangs een interessant arrest – in verband met een opiumwetdelict – waarin de rechter duidelijk is geprikkeld maatwerk te leveren ten aanzien van de strafmaat. De officier van justitie heeft in die zaak een strafmaatappel ingesteld, omdat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd waarom een beduidend lagere straf is opgelegd dan de LOVS richtlijnen ‘voorschrijven’ in dat geval. Het Hof stelt in het arrest nog maar eens voorop dat de rechter in een concrete zaak niet gebonden is aan oriëntatiepunten. Dergelijke richtlijnen zijn geen recht in de zin van artikel 79 Wet RO. Noch de verdediging, noch het Openbaar Ministerie kan met vrucht klagen over de strafmotivering van rechters en rechterlijke colleges in relatie tot de LOVS oriëntatiepunten. Het Hof licht wel toe dat in deze zaak de LOVS oriëntatiepunten als uitgangspunt is genomen en met welke mitigerende omstandigheden – zoals de feitelijke rol van de verdachte en het feit dat hij een first offender is – rekening is gehouden. Het Hof heeft in deze zaak dus niet ‘klakkeloos’ de oriëntatiepunten gevolgd, maar expliciet gemotiveerd welke omstandigheden een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van de opgelegde straf.

In het geval van fraudezaken wordt in de praktijk eveneens vaak gebruik gemaakt van oriëntatiepunten. Het benadelingsbedrag wordt in die oriëntatiepunten gebruikt als uitgangspunt voor het bepalen van de strafeis. Daarna dienen volgens de oriëntatiepunten strafverminderende dan wel –verzwarende omstandigheden in aanmerking te worden genomen, zoals de vraag of sprake is van recidive of de vraag of de betrokkene heeft gehandeld in de uitvoering van een beroep of bedrijf. Het feit dat de geïndiceerde straf in de oriëntatiepunten niet is gekoppeld aan het gehele delict maar ‘slechts’ aan het benadelingsbedrag, maakt ons inziens dat de oriëntatiepunten onevenwichtigheid tot gevolg kunnen hebben. Een onwenselijke situatie. Wij concludeerden al eerder dat het ‘klakkeloos’ volgen door de rechter van de eisen conform oriëntatiepunten willekeur in de hand zal werken. Alle bijzondere aspecten van het individuele geval dienen mee- en afgewogen te worden.

Op de oriëntatiepunten in fraudezaken is de nodige kritiek geuit. Deze kritiek is voor mrs. A.J.E. Schouten en C. Beuze – senior juridisch medewerkers bij Hof Amsterdam – niet onopgemerkt gebleven. In hun recente bijdrage in het stafblad[1] onderkennen zij de beperking van de oriëntatiepunten en analyseren zij de werking van de Engelse Fraud Bribery and Money Laundering Offences Guideline. In die richtlijnen wordt een onderscheid gemaakt tussen de verschillende vormen van fraude en de daarvoor geldende strafmaxima. De Engelse guideline ‘dwingt’ de rechter tot het betrekken van vele factoren bij het bepalen van de omvang van de schade die als uitgangspunt wordt gehanteerd om de straf te bepalen. Zo wordt in het geval van belastingfraudezaken het feitelijke voordeel en het beoogde voordeel meegewogen. Ook het effect van de fraude op eventuele slachtoffers speelt een rol in de vaststelling van de omvang van de schade. Dit zal een heel ander uitgangspunt opleveren dan wanneer enkel het benadelingsbedrag wordt gehanteerd. Deze guideline biedt ons inziens dan ook inspiratie om de rechter te prikkelen verder te kijken dan de uitgangspunten die zijn opgenomen in de Nederlandse oriëntatiepunten voor straftoemeting in fraudezaken.

Wat is jouw ervaring met de wijze waarop de oriëntatiepunten als uitgangspunt worden gehanteerd door rechters? En op welke wijze zou het beter kunnen?


[1] Mr. A.J.E. Schouten en mr. C. Beuze, ‘Fraud, Bribery and Money Laundering Offences Guideline, Een bruikbaar handvat voor de ontwikkeling van de Nederlandse oriëntatiepunten voor straftoemeting in fraudezaken?’, Strafblad, 2014, afl. 2, p. 83 – 87.

#051: “Gevangenisstraf alleen is niet genoeg..”

“Beroepscriminelen” en “corrupte bedrijven” moeten volgens procureur-generaal Marc van Nimwegen harder worden aangepakt. Hij stelt in een interview met de Volkskrant van 3 februari 2014 dat hij met enige regelmaat ziet dat een “beroepscrimineel” vanuit de gevangenis zijn criminele bedrijf kan voortzetten. Van Nimwegen meent dat in dit soort zaken de veroordeelden financieel harder moeten worden aangepakt, een gevangenisstraf alleen is niet genoeg. Van Nimwegen kondigt aan dat het Openbaar Ministerie vaker hogere boetes zal eisen. Van Nimwegen vindt dat rechters die lijn van het opleggen van hogere boetes zouden moeten volgen. Maar waarom? Straftoemeting is toch maatwerk?

Het betoog van Van Nimwegen roept de nodige vragen op. Wanneer is iemand een beroepscrimineel? Aan welke criteria moet een verdachte voldoen om onder een dergelijke definitie te vallen? Is dat als iemand eerder met justitie in aanraking is gekomen? Of is dat het geval indien iemand ‘de schijn tegen heeft’? En hoe zit dat met corrupte bedrijven? Is ieder bedrijf dat met justitie in aanraking is geweest aan te merken als corrupt? Of zullen vermoedens daarin (ook) een rol spelen? Het ligt in de lijn der verwachting dat de nodige richtlijnen worden of zijn ontwikkeld om handen en voeten te geven aan dit beleid van het Openbaar Ministerie. Aan de hand van een eenvoudige checklist zal dan bepaald kunnen worden in welke hokje de verdachte thuis hoort. De te eisen straf of boete is dan gemakkelijk te bepalen. Maar geldt dan hetzelfde voor het daaraan te verbinden oordeel door de rechter?

Wij schreven al eerder over de oriëntatiepunten voor straftoemeting in fraudezaken. Deze oriëntatiepunten zijn in 2011 vastgesteld door de fraudekamers van de Hoven. Aan de hand van strafvermeerderende en strafverminderende omstandigheden wordt met het benadelingsbedrag als uitgangspunt een straf ‘toegemeten’. Echter het feit dat de geïndiceerde straf in de oriëntatiepunten niet is gekoppeld aan het gehele delict, maar ‘slechts’ aan het benadelingsbedrag, maakt dat de oriëntatiepunten onevenwichtigheid tot gevolg kunnen hebben. Dit komt het te leveren maatwerk als het gaat om straftoemeting ten aanzien van de individuele verdachte niet ten goede.

Oriëntatiepunten en richtlijnen kunnen de verdachte een indicatie geven van wat hem mogelijk te wachten staat. Echter, alle bijzondere omstandigheden van het geval kunnen niet in richtlijnen worden verdisconteerd. Het “klakkeloos” volgen door de rechter van hogere strafeisen van het Openbaar Ministerie riekt naar willekeur. Het is aan de rechter om maatwerk te leveren. Alle bijzondere aspecten van het individuele geval dienen mee- en afgewogen te worden. In ons rechtssysteem zou het volgen van een hogere strafeis – zonder gedegen afweging – niet mogelijk moeten kunnen zijn. De NVvR stelde in 2012 ten aanzien van een andere aangelegenheid dat het een illusie is te menen dat een rechtvaardige bestraffing voor alle gevallen kan worden ‘voorgeprogrammeerd’, daarvoor is de werkelijkheid te verscheiden. De nadruk dient te liggen op maatwerk en juist niet op een streven naar standaardisering. En gelukkig maar!

Eén ding is in ieder geval duidelijk, strafrechtelijk Nederland kan zich opmaken voor hogere boete eisen. Ons inziens is het aan het Openbaar Ministerie om de rechter te overtuigen van de noodzaak tot het opleggen van die hogere boetes. Net zo goed als het aan de verdediging van de verdachte is de rechter te informeren over alle bijzondere omstandigheden van die betreffende zaak en de rechter daarmee te prikkelen maatwerk te leveren.

Wat is jouw ervaring? Past het Openbaar Ministerie het door Van Nimwegen voorgestane beleid reeds toe? En hoe oordeelde de rechter in die gevallen?

#014: ‘Geen woorden maar daden’

De Nederlandse vereniging voor de Rechtspraak (NVvR) stond op haar achterste poten toen zij het conceptwetsvoorstel wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met de invoering van minimumstraffen onder ogen kreeg. De NVvR stelt in de reactie op het wetsvoorstel dat straftoemeting maatwerk is en minimumstraffen derhalve een slecht idee zijn. “Het is een illusie te menen, dat een rechtvaardige bestraffing voor alle gevallen kan worden “voorgeprogrammeerd” in de wet. Daarvoor is de werkelijkheid te verscheiden.” Toch lijken rechtbanken en hoven met de invoering van de LOVS-oriëntatiepunten weinig maatwerk aan te leveren. De woorden zijn er, maar waar blijven de daden?

De rechtbanken en hoven lijken zich ondanks de roep om maatwerk star vast te houden aan de LOVS-oriëntatiepunten voor straftoemeting. Hierdoor lijken zij in een keurslijf te zitten, terwijl straffen in de ogen van rechters zelf maatwerk zou moeten zijn. Komt de hoge werkdruk van de rechterlijke macht hier weer om de hoek kijken?

De oriëntatiepunten voor straftoemeting in fraudezaken zijn in het najaar van 2011 door de fraudekamers van de hoven goedgekeurd. Het oriëntatiepunt met betrekking tot fraudezaken ziet op fraude in algemene zin. Daaronder zijn begrepen fraudedelicten in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Douanewet, de Wet op financieel toezicht, de Coördinatiewet en de Organisatiewet. In het oriëntatiepunt is een tabel opgenomen met benadelingsbedragen. De hoogte van het benadelingsbedrag levert een bepaalde straf op. Aan de hand van strafvermeerderende en strafverminderende omstandigheden wordt met het benadelingsbedrag als uitgangspunt een straf ‘toegemeten’.

Vanuit de advocatuur, maar ook vanuit de rechterlijke macht wordt kritiek geuit op de oriëntatiepunten.[1]  Het feit dat de geïndiceerde straf in de oriëntatiepunten niet is gekoppeld aan het gehele delict, maar ‘slechts’ aan één van de factoren die de ernst van het feit bepaalt, namelijk het benadelingsbedrag, maakt dat de oriëntatiepunten onevenwichtigheid tot gevolg kunnen hebben. Aan andere relevante factoren wordt immers minder waarde toegekend.

Deze oriëntatiepunten kunnen zeer onwenselijke situaties opleveren. Zo maken rechters zich er af en toe gemakkelijk vanaf en lijken zij niet meer echt naar de persoon van de verdachte en/of de omstandigheden waaronder het delict is begaan te kijken. Hierdoor worden soms veel te hoge straffen opgelegd. Ook neemt het Openbaar Ministerie de oriëntatiepunten als uitgangspunt bij de strafeis. Verdachten zitten af en toe met klapperende oren in de rechtszaal als het Openbaar Ministerie bijvoorbeeld een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden eist.

Daarnaast zijn er gevallen waarbij hoger beroep is ingesteld voordat deze richtlijnen überhaupt in werking zijn getreden. Dan kan de situatie zich voordoen dat twee verdachten in eerste aanleg zijn veroordeeld voor een voorwaardelijke gevangenisstraf. Vol goede moed besluit één van de verdachten in hoger beroep te gaan omdat bij hem nog de kracht bestaat om zijn onschuld aan te vechten. In hoger beroep gaat het hof opeens uit van de LOVS-oriëntatiepunten en legt voor dezelfde feiten een veel hogere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op. Het risico van het hoger beroep? Theoretisch gezien klopt dit, maar gevoelsmatig wringt het. Misschien had de strijdlustige verdachte geen hoger beroep ingesteld als hij wist dat dergelijk richtlijnen zouden worden aangenomen en een onvoorwaardelijke gevangenisstraf dus het uitgangspunt zou zijn bij de straftoemeting.

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de ‘LOVS-oriëntatiepunten’ geen recht vormen in de zin van art. 79 RO. De keuze van factoren die voor de strafoplegging van belang zijn, is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. In het licht hiervan en van de omstandigheid dat het toepasselijke wettelijk strafmaximum hetzelfde is gebleven, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat indien dergelijke richtlijnen worden toegepast geen sprake is van een zwaardere strafoplegging in verhouding tot de straf die zou zijn opgelegd op basis van de richtlijnen die welke ten tijde van het begaan van het feit “van toepassing waren” in de zin van de art. 7, eerste lid, EVRM en art. 15, eerste lid, IVBPR. Gelet op deze stand van het recht kan de starre toepassing van de LOVS-richtlijnen geen grond opleveren voor het oordeel dat de strafoplegging bij gebrek aan foreseeability in strijd is met art. 7 EVRM. Dit ondanks dat de richtlijnen in bovenstaande casus nog niet bestonden bij het instellen van hoger beroep. Zo lang de straf maar onder het strafmaximum blijft, lijkt er geen probleem te zijn. De oriëntatiepunten mogen dus gewoon als uitgangspunt dienen ook al levert dit gevoelsmatig een uiterst onrechtvaardige situatie op.

Vinden jullie dat met de inwerkingtreding van de LOVS-oriëntatiepunten vaker hogere en onvoorwaardelijke straffen worden opgelegd? Wordt door rechters nog echt het gewenste maatwerk geleverd voor de straftoemeting? Of hebben jullie situaties meegemaakt waarbij de toepassing van de LOVS-richtlijnen tot te hoge straffen hebben geleid?