#382: Is het ambtsgeheim geschonden?

Iedere vorm van macht gaat gepaard met verleidingen. Dat is niet altijd ingegeven door eigen gewin, maar soms speelt nieuwsgierigheid de mens ook parten. Ambtenaren beschikken over een vorm van macht over burgers, mede in de zin dat zij toegang kunnen krijgen tot vertrouwelijke informatie over die burgers. Die gegevens moeten op basis van de wet geheim blijven. Schending van die plicht is onder omstandigheden strafbaar. Maar daarvan is niet zomaar sprake.

Artikel 272 Wetboek van Strafrecht stelt de schending van het ambtsgeheim strafbaar. Het artikel luidt: “Hij die enig geheim waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat hij uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift dan wel van vroeger ambt of beroep verplicht is het te bewaren, opzettelijk schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie.”

In Vaklunch #372 concludeerden we dat voor een schending van een ambtsgeheim sprake dient te zijn van het delen of ter kennis brengen aan een derde. In het arrest dat in die Vaklunch werd besproken ging het om geheime informatie die de betreffende ambtenaar voor zichzelf – niet voor zijn werk, maar voor privédoeleinden – had ontsloten. Omdat hij het niet met een (onbevoegde) derde had gedeeld, oordeelde de Hoge Raad dat van een schending van het ambtsgeheim geen sprake was. Wij concludeerden toen dat het strafrecht dus niet kan worden ingezet tegen iemand die uit hoofde van zijn functie toegang heeft tot privégegevens van burgers en die zijn nieuwsgierigheid niet kan bedwingen. Zo lang het geheim jegens anderen wordt bewaard kan het schenden van een ambtsgeheim niet bewezen worden verklaard. Zodra die informatie wordt verstrekt aan (onbevoegde) anderen kan het strafrecht wel worden ingezet.

In dat licht trekt de uitspraak van Rechtbank Rotterdam van 9 juli 2020 de aandacht. In die zaak gaat het om een medewerker van de Belastingdienst die een nevenfunctie heeft als belastingadviseur. De verdachte had informatie geraadpleegd en geprint uit systemen van de Belastingdienst. Omdat de informatie uit die systemen vertrouwelijk is, valt deze onder de ambtelijke geheimhoudingsplicht. De verdachte heeft verklaard dat hij de informatie alleen heeft gebruikt voor zijn werkzaamheden als medewerker van de Belastingdienst. De rechtbank gelooft dat niet. Het is volgens de rechtbank zeer opvallend dat de gevonden informatie betrekking had op klanten van de verdachte. Uit de verklaringen van getuigen blijkt dat de verdachte als belastingadviseur aangiften voor hen heeft ingediend en in één van de gevallen ook bezwaar heeft gemaakt tegen opgelegde aanslagen. De rechtbank komt op basis daarvan tot een bewezenverklaring.

In de bewezen verklaarde tenlastelegging is opgenomen dat de verdachte vertrouwelijke informatie uit de systemen van de Belastingdienst heeft ‘medegedeeld’ aan zijn klant(en). Hier zit precies de crux van de strafbaarstelling. Nieuwsgierig zijn is niet strafbaar. Het delen van de geheime informatie met een onbevoegde derde wel. Hoewel het in deze casus niet ter discussie is gesteld, zou nog getwist kunnen worden over de vraag hoe de geheimhoudingsbepaling van artikel 67 AWR moet worden uitgelegd. Moet informatie over een belastingplichtige voor die belastingplichtige geheim blijven? De meningen hierover lopen in de vakliteratuur sterk uiteen.

Een ander opvallend punt in deze casus is dat niet goed duidelijk is op welke gegevens de rechtbank baseert dat de geheime informatie door de verdachte met zijn klant(en) is gedeeld. Dat blijkt niet uit de verklaring van de verdachte en evenmin uit de verklaringen van de getuige(n). Ook anderszins blijkt uit bewijsmiddelen niet dat de geheime informatie is gedeeld met een derde. Hoewel de verdachte dat niet heeft aangevoerd zou het ook nog mogelijk zijn dat in een geval als het onderhavige de informatie is geraadpleegd ter verificatie. Dat betekent niet zonder meer dat informatie is gedeeld met een derde.

Hoe onsympathiek deze casus ook is, de bewezenverklaring op basis van de bewijsmiddelen – voor zover die uit het vonnis blijken – kan de toets van de Hoge Raad ons inziens niet doorstaan. Bewezen moet worden dat informatie met een onbevoegde derde is gedeeld.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl. Uiteraard is het ook mogelijk om over dit onderwerp te praten in een digitale Vaklunch on demand.

Geen reacties

Plaats een reactie