#425: Daar plukt u de vruchten van

Op een strafrechtelijke veroordeling wegens fraude volgt tegenwoordig regelmatig een ontnemingsvordering. De ontnemingsmaatregel biedt een makkelijke mogelijkheid om het voordeel dat de veroordeelde door middel van het strafbare feit heeft behaald, af te pakken en aan de staat te doen toekomen. De hoogte van het te ontnemen bedrag wordt na de veroordeling (naar schatting) in een afzonderlijke procedure door de ontnemingsrechter vastgesteld. Deze procedure kan ook parallel lopen aan de inhoudelijke behandeling van de strafzaak. Het vaststellen van het te ontnemen bedrag hoeft geen ingewikkelde exercitie te zijn, maar in de praktijk kan onderschatting van deze procedure juist leiden tot onoplettendheid, die meestal niet in het voordeel van de veroordeelde uitvalt.

Uitgangspunt bij ontneming is dat alleen voordeel kan worden afgepakt dat daadwerkelijk door de veroordeelde is behaald met het strafbare feit. Vastgesteld moet dus worden dat de veroordeelde zelf aan het plegen van strafbare feiten heeft “verdiend”. Op deze toets moet scherp worden toegezien, omdat soms de neiging bestaat (te) lichtvaardig bedragen aan de veroordeelde toe te rekenen zonder zorgvuldige beoordeling of het daadwerkelijk voordeel betreft dat door hem of haar is verkregen. Onlangs zette de Hoge Raad een streep door zo’n al te gemakkelijk opgelegde betalingsverplichting.

Het ging in deze zaak om een veroordeling wegens het medeplegen van verduistering. In de ontnemingsprocedure werd aan de twee veroordeelden door het hof Arnhem-Leeuwarden een hoofdelijke betalingsverplichting opgelegd (zie over hoofdelijkheid bij ontneming Vaklunch #284). In het totaal vastgestelde ontnemingsbedrag was een overschrijving meegenomen van de rekening van het slachtoffer naar een stichting waarvan beide veroordeelden bestuurder waren. Gelet op hun bestuursfuncties achtte het hof het “aannemelijk dat de overschrijvingen naar de stichting ten voordele van veroordeelde en medeveroordeelde kwamen”. Dit onderdeel van de optelsom is in cassatie met succes aangevochten: het enkele feit dat geld op de bankrekening van de stichting werd gestort, wil nog niet zeggen dat dit geld ook aan de veroordeelden is toegekomen. Het vermogen van een stichting kan immers niet zonder meer worden vereenzelvigd met het vermogen van haar bestuurders. Nu het hof niet heeft onderzocht of de veroordeelden daadwerkelijk voordeel hebben genoten uit het vermogen van de stichting, kan dit overschrijvingsbedrag dan ook niet worden ontnomen.

In deze zaak was het onterecht meegerekende bedrag relatief laag, maar dat maakt de situatie niet minder onzorgvuldig. Het blijft dan ook van groot belang om de berekening van het bedrag van de ontnemingsmaatregel kritisch te beoordelen. Het feit dat een ontnemingsprocedure soms weinig complex is, mag tenslotte niet leiden tot onzorgvuldigheid – zeker niet als die voor rekening van de veroordeelde komt, terwijl het Openbaar Ministerie er – ten onrechte – de vruchten van plukt.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

 

Geen reacties

Plaats een reactie