#284: Ontnemingsvorderingen en betalingsverplichtingen

Na twee Vaklunches over ontneming kan een derde natuurlijk niet uitblijven; een ontnemingsdrieluik. Na ontnemingsvorderingen en faillissementen en ontnemingsvorderingen en fiscaliteiten, zijn deze week ontnemingsvorderingen en betalingsverplichtingen aan de beurt. Op 29 mei 2018 heeft de Hoge Raad een helder arrest gewezen over de mogelijkheid om de betalingsverplichting van een ontnemingsvordering hoofdelijk op te leggen. Over dit onderwerp schreven wij ook in Vaklunch #159.

Het Hof had in deze zaak de verplichting tot betaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel hoofdelijk opgelegd aan twee echtelieden. Vaststond dat de veroordeelde en zijn toenmalige echtgenote samen een hennepkwekerij hadden en dat deze werd onderhouden door de toenmalige vrouw van de veroordeelde. De inkomsten uit deze kwekerij zouden worden gebruikt voor het aflossen van gezamenlijke schulden, dan wel om een bepaalde levensstandaard hoog te houden. Verder waren de echtelieden toentertijd in gemeenschap van goederen getrouwd.

Alvorens de Hoge Raad toekomt aan de beoordeling van het oordeel van het Hof verwijst het eerst naar een arrest van 7 april 2015. In dit arrest oordeelde de Hoge Raad dat de toepassing van de hoofdelijke betalingsverplichting enkel in een beperkt aantal gevallen zich zal voordoen. Om een hoofdelijke betalingsverplichting op te leggen dienen er zodanige duidelijke aanwijzingen te zijn dat de daders gezamenlijk de beschikking hebben of gedurende zekere tijd de beschikking hebben gehad over de gehele opbrengst van het strafbare feit. In zo een geval mag worden aangenomen dat het opleggen van de ontnemingsmaatregel voor het gemeenschappelijke geheel van het verkregen voordeel het met de ontnemingsmaatregel beoogde reparatoire karakter heeft.

Van belang is ten eerste dat de Hoge Raad oordeelt dat het feit dat twee echtelieden in gemeenschap van goederen waren getrouwd niet zondermeer betekent dat beide echtelieden ook daadwerkelijk de beschikking hadden over het wederrechtelijk verkregen voordeel. Daartoe dienen dan concrete aanwijzingen te bestaan. Daarvoor is in elk geval onvoldoende dat het de bedoeling was om met het geld gezamenlijke schulden af te lossen. Dit laat immers de mogelijkheid open dat het wederrechtelijk verkregen voordeel in werkelijkheid enkel tot een van beide echtelieden ter beschikking stond ook al was dit niet de bedoeling.

Het arrest van het Hof is daardoor dus onvoldoende gemotiveerd en de Hoge Raad wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het Hof zal de zaak dus opnieuw moeten beoordelen. Waarbij duidelijk is dat een hoofdelijke betalingsverplichting enkel kan worden opgelegd indien er concrete aanwijzingen bestaan dat de buit in zijn geheel ter beschikking heeft gestaan aan meerdere personen.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

Geen reacties

Plaats een reactie