#343: Hoop aan de horizon?

Een gewezen verdachte heeft geen absoluut recht op een vergoeding van de door hem gemaakte advocaatkosten als een zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel. Vaak tot grote frustratie van de verdachte. Een vergoeding wordt alleen toegekend als daar gronden van billijkheid voor bestaan. Het Openbaar Ministerie gebruikt echter nog wel eens een andere toets door de vergoeding afhankelijk te stellen van de vraag of de zaak – die is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel – al dan niet bewijsbaar zou zijn geweest. Dat is echter niet de bedoeling en in strijd met de onschuldpresumptie.

In de beschikking van Rechtbank Amsterdam van 4 juni 2019 was dit aan de orde. De zaak tegen de verdachte was geëindigd zonder oplegging van straf. Meer specifiek is de zaak tegen de verdachte geseponeerd vanwege gezondheidsredenen van de verdachte. Het Openbaar Ministerie meent dat deze zaak niet voor vergoeding in aanmerking komt omdat het wel om een ‘bewijsbare’ zaak zou gaan. De verdediging stelt dat van dergelijk bewijs geen sprake is. Enig bewijs van opzettelijk onjuist indienen van een belasting aangifte is er niet. Daarom zou nooit tot een veroordeling kunnen zijn gekomen. Om die reden zou de verzochte vergoeding moeten worden toegekend.

De Rechtbank gebruikt deze beschikking om nog eens uit te leggen dat de vraag of de zaak al dan niet bewijsbaar zou zijn niet de te hanteren maatstaf is voor de beoordeling van een verzoek ex artikel 591a Sv. Sterker nog, door de eventuele bewijsbaarheid van de zaak te betrekken bij de toets van het verzoek ex artikel 591a Sv zou worden getreden in de schuldvraag. Dat is in strijd met de onschuldpresumptie: de verdachte is onschuldig totdat het tegendeel is bewezen.

De rechtbank oordeelt dat de onschuldpresumptie niet verbiedt dat rekening wordt gehouden met de destijds bestaande verdenkingen, maar stelt dat er wel grenzen zijn waarbinnen deze beoordeling kan plaatsvinden. Daarbij verwijst de rechtbank onder meer naar de zaak Ashendon en Jones tegen het Verenigd Koninkrijk van het Europese Hof voor de rechten van de mens.

De Rechtbank overweegt: “Samengevat komen de overwegingen en oordelen van het EHRM hierop neer dat deze vergoedingen niet kunnen worden geweigerd op gronden die “were based on any continuing suspicion that the applicant was guilty” of in het geval dat “the applicant had been penalised for exercising his right to silence”. Wel kan een weigering bijvoorbeeld toegelaten zijn in het geval dat “the applicant had brought suspicion on himself and misled the prosecution into thinking the case against him was stronger than is was”.”

Voor zover het Openbaar Ministerie de afwijzing van het verzoek om vergoeding heeft bepleit omdat sprake was van een bewijsbare zaak, is de rechtbank van oordeel dat hiermee niet de juiste maatstaf ter beoordeling van een verzoek ex artikel 591a Sv wordt gehanteerd. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt immers dat moet worden beoordeeld of het billijk is om een vergoeding toe te kennen.

De rechtbank acht die billijkheid in deze zaak aanwezig. Nu de opgegeven kosten worden gestaafd door de overgelegde urenspecificaties en declaraties, kent de rechtbank de verzochte vergoeding toe. Een mooie uitkomst, waarbij de rechtbank het uurtarief en de specificaties niet in twijfel trekt. Dat was in de zaak waar we in Vaklunch #341 over schreven wel anders. Gloort er dan toch hoop aan de horizon voor de verzoeken ex artikel 591a Sv?

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl. Uiteraard is het ook mogelijk om over dit onderwerp te praten in een Vaklunch on demand bij jou op kantoor.

Geen reacties

Plaats een reactie