#265: Luisterende oren

Zoveel verschillende mensen, zoveel verschillende cliënten. Zoveel advocaten, zoveel officieren van justitie. Niet iedere cliënt past bij iedere advocaat en vice versa. Evenmin past iedere advocaat bij iedere officier. Hoewel advocaten en officieren van justitie op basis van hun respectievelijke taken in het strafproces ‘natuurlijke vijanden’ van elkaar zijn, wordt een mismatch ook wel veroorzaakt door andere factoren. Wellicht een ‘verloren’ zaak uit het verleden? Een te groot ego van een van de partijen? Of ‘gewoon’ wantrouwen over en weer? Het is de vraag of dat altijd in het belang van de cliënt is. Soms leidt een mismatch tussen de professionele partijen tot verstrekkende strubbelingen die niet alleen effect hebben op het verloop van het strafrechtelijk onderzoek, maar mogelijk ook op de uitkomst van de procedure.

Laten we voorop stellen dat in de praktijk de relatie tussen de procespartijen in het algemeen niet door persoonlijk wantrouwen wordt gekenmerkt. Het gaat in de regel om professioneel wantrouwen. Advocaten hebben immers een andere taak in het strafproces dan officieren van justitie. Advocaten treden enkel op voor het belang van hun cliënt. Officieren van justitie hebben als taak de waarheid te vinden. Met name als advocaten de indruk krijgen dat het doel van de officier van justitie een andere is dan waarheidsvinding, wordt het gevoel van wantrouwen gevoed. Zeker als beslissingen worden genomen die passen bij het idee van de verdediging en de verdachte dat een ander doel dan waarheidsvinding wordt nagestreefd.

Echter, op basis van de wet is het niet mogelijk de behandeld officier te laten vervangen door een andere. Bij voorkeur een officier van justitie die het onderzoek objectiever aanvliegt. De wet biedt de verdachte geen mogelijkheid de officier van justitie te wraken. Een dergelijk mechanisme bestaat alleen om een rechter die de zaak behandeld te wraken indien de rechter de schijn van partijdigheid heeft gewekt. Dit mechanisme is geregeld in artikel 512 Wetboek van Strafvordering (Sv) zoals toegelicht in onder meer vaklunch #247.

Het Openbaar Ministerie kent wel een klachtenregeling. Het is alleen mogelijk een klacht in te dienen tegen een officier van justitie over de wijze waarop hij de verdachte heeft bejegend. Maar waarover klaag je als de bejegening door de officier van justitie op zichzelf keurig is, maar de wijze waarop de officier van justitie dwangmiddelen inzet of een onderzoek uitvoert in strijd is met iedere vorm van proportionaliteit? Een wettelijke mogelijkheid om een officier van justitie te wraken zou wellicht een uitkomst kunnen bieden. Maar de afweging een dergelijk middel in te zetten is niet altijd eenvoudig. Als het wrakingsverzoek wordt afgewezen ben je wellicht verder van huis.

Een manier om op een meer low key wijze het onderzoek vlot te trekken zou het betrekken van de rechter-commissaris bij de voortgang van het onderzoek kunnen zijn. Artikel 180 Sv biedt daarvoor een wettelijke basis. In theorie althans. Want echte mogelijkheden om in te grijpen in het handelen van de officier van justitie heeft de rechter-commissaris niet. Daarnaast is het in de praktijk de ervaring dat het rechters-commissarissen vaak aan capaciteit ontbreekt om de voortgang te beoordelen en een vinger aan de pols te houden bij de gemaakte afspraken.

Mr. Jouko Barensen – huidig advocaat en voormalig officier van justitie – vraagt in zijn bijdrage in het advocatenblad van deze maand aandacht voor de impasse waarin de verdachte en de advocaat soms verkeren. De vraag die hij opwerpt is of je als verdachte en advocaat de zaaksofficier altijd zomaar moet accepteren. Barensen: ‘Uiteraard is het antwoord op die vraag in beginsel bevestigend. Met de verjonging die ook bij het OM plaatsvindt, is het echter helemaal geen gek idee dat de advocaat die het écht oneens is met bepaalde beslissingen ergens binnen het OM een luisterend oor vindt. Het zou goed zijn als een teamleider, een kwaliteitsofficier of een andere ervaren officier benaderd zou kunnen worden door een kritische advocaat met de vraag of dit nou wel zo’n goede beslissing is van die andere ­officier.’

Deze suggestie van Barensen zou de onnodige stroperigheid in voorkomende zaken nog wel eens kunnen versoepelen. Tenzij die stroperigheid functioneel is ingezet, zal dat in het belang van de verdachte én van het Openbaar Ministerie kunnen werken. Dus advocatuurlijk Nederland: afwachten tot het Openbaar Ministerie ‘luisterende oren’ aanbiedt? Of zullen we gewoon de proef op de som nemen?

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

Geen reacties

Plaats een reactie