#186: Wie moet op de Salduz-blaren zitten?

Het is inmiddels bijna tien jaar geleden dat het ‘Salduz-arrest’ is gewezen door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. In het Salduz-arrest heeft het EHRM – kortgezegd – uitgemaakt dat iedere (aangehouden) verdachte recht heeft op toegang tot een raadsman. Het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM en de daaruit voortvloeiende verdedigingsrechten staan in Europa hoog in het vaandel. Maar met name de vraag welke consequenties moeten worden verbonden aan een schending van – in dit geval – het recht op een raadsman houdt partijen nogal eens verdeeld. Als het recht geschonden is, wie moet dan op de Salduz-blaren zitten? De overheid of toch de verdachte zelf?

Nederland heeft zich, net als de andere lidstaten binnen de lijntjes van Straatsburg, te kleuren. Dat geldt ook voor de verdedigingsrechten die zijn vervat in het Handvest van de Europese Unie waarover Luxemburg waakt. Artikel 48, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie garandeert de eerbiediging van de rechten van de verdediging. Het recht op toegang tot een raadsman is in Unierechtelijk verband ook vastgelegd in een Richtlijn die op 27 november 2016 geïmplementeerd moet zijn. Volgens deze Richtlijn bestaat het recht op toegang tot een raadsman in elk geval a) voordat verdachten door de politie worden verhoord; b) wanneer de bevoegde autoriteiten een onderzoekshandeling verrichten; c) na de vrijheidsbeneming (zonder onnodig uitstel) of d) binnen een redelijke termijn voor verdachten in rechte voor een rechtbank verschijnen. Maar wat als deze rechten niet worden nageleefd? Wat als je als burger deze rechten niet kunt effectueren? De Hoge Raad heeft voor de consequenties van vormverzuimen een spoorboekje gegeven.

De Europese Richtlijn geeft geen expliciet antwoord op deze cruciale vraag. Met de toenemende aandacht in jurisprudentie en literatuur voor de mogelijkheid een beroep te doen op het Hof van Justitie van de Europese Unie indien verdedigingsrechten of het Unierecht anderszins aan de orde is, ligt het in de lijn der verwachting dat Luxemburg zich hierover op een zeker moment zal uitspreken. Het EHRM heeft zich met enige regelmaat uitgelaten over deze kwestie. In zijn algemeenheid volgt uit de rechtspraak van het EHRM dat schending van het recht op een advocaat leidt tot een schending van artikel 6 EVRM en hetzelfde geldt voor het gebruik maken van de verklaringen die dientengevolge zijn verkregen. Echter, op 13 september 2016 heeft de Grand Chamber van het EHRM een interessant oordeel gegeven in de zaak Ibrahim and Others v. UK. Deze zaak draait om de aanslagen in Londen van 21 juli 2005. Kort nadien zijn enkele verdachten gehoord. Het ging om zogenaamde safety interviews om informatie te verkrijgen om erger leed te voorkomen. Deze betrokkenen zijn gehoord zonder hen kans te geven overleg te plegen met een raadsman. Ook toen de advocaten arriveerden is de toegang ontzegd. Overigens is wel gedetailleerd vastgelegd wat er gedurende de safety interviews is gebeurd. Een deel van de informatie die in de safety interviews is verkregen is uiteindelijk onderdeel geworden van het bewijs in de strafzaak.

De vraag die bij het EHRM voorlag is of het voorgaande een schending van artikel 6 EVRM oplevert. In deze zaak spelen de exceptionele omstandigheden een grote rol. Het EHRM heeft geoordeeld dat in het geval van deze verdachten het beperken van het recht tot een advocaat geen schending van artikel 6 EVRM oplevert: ‘It found that there had been compelling reasons to delay the applicants’ access to legal advice in light of the exceptionally serious and imminent threat to public safety. It added that the submission that the police could have waited until solicitors arrived before beginning the interrogations was misguided since at least part of the reason of delaying legal advice was because the police had been concerned that access to legal advice would lead to the alerting of other suspects.’ Ook het gebruik van de verkregen verklaringen levert volgens het EHRM geen schending van artikel 6 EVRM op: ‘It further found that no undue prejudice had been caused by the admission of the statements at trial having regard in particular to the counterbalancing safeguards contained in the legislative framework, to the trial judge’s rulings and directions to the jury and to the strength of the other evidence in the cases’.

Een bijzonder oordeel. In deze zaak is het duidelijk dat de rechten van de verdediging niet zijn nageleefd. Toch is het recht op een eerlijk proces niet geschonden volgens het Hof, gelet op de exceptionele omstandigheden in de zaak als geheel. Dit oordeel kan ons inziens gevolgen hebben voor de Salduz koers die tot op heden is ingezet. Begeven wij ons op een hellend vlak? En was dit oordeel eigenlijk wel nodig? Als het Hof voor ogen had het gebruik van het materiaal toe te staan om de zaak ‘rond te krijgen’ was dit overbodig. Uit het arrest blijkt dat er waardevol ander bewijs was. Daarnaast had dit doel ook bereikt kunnen worden door wel een schending te constateren van het recht op toegang tot een raadsman, maar geen gevolgen te verbinden aan het gebruik van het materiaal. Het fundamentele verdedigingsrecht zou dan in ieder geval overeind blijven.

Wat vind jij van het oordeel van het EHRM? En zal het gevolgen hebben voor de rechten van de verdediging?

Geen reacties

Plaats een reactie