#137: Een objectief of subjectief pleitbaar standpunt

In een ruim honderd pagina’s tellende uitspraak heeft de belastingkamer van het Gerechtshof Amsterdam op 8 oktober 2015 een uitspraak waarin verschillende interessante onderwerpen aan de orde zijn gesteld. Het geeft een heldere uiteenzetting over het leerstuk van de op de zaak betrekking hebbende stukken, het criterium van ‘het nieuwe feit’ wordt uitgebreid onder de loep genomen, het leerstuk van fraus legis is een belangrijk onderwerp en last but not least komt het pleitbare standpunt uitvoerig aan de orde. In artikel #50 schreven wij reeds over de rechtbank uitspraak die vooraf gaat aan deze Hof uitspraak. In deze bijdrage zullen wij met name stilstaan bij de vraag of sprake is van opzet.

Zonder in te gaan op de precieze feiten handelt deze zaak over een fiscale structuur waarin een renteaftrek wordt gecreëerd die met gerealiseerde winsten wordt verrekend. Het Hof volgt de rechtbank in haar oordeel dat sprake is van fraus legis. Toepassing van fraus legis houdt in dat de inspecteur tot belastingheffing over kan gaan – ook al voldoet een belastingplichtige aan de letter van de wet – op het moment dat aan twee cumulatieve voorwaarden is voldaan. Ten eerste moet belastingverijdeling de doorslaggevende beweegreden zijn geweest voor het verrichten van een bepaalde handeling. Dit wordt ook wel het motiefvereiste genoemd. Ten tweede moet in strijd met doel en strekking van de wet zijn gehandeld, ofwel het normvereiste. Het Hof oordeelt dat hoewel de belanghebbenden gebruik hebben gemaakt van een wettelijke verliesverrekeningsbepaling, dit in de onderhavige structuur zozeer in strijd met doel en strekking van de wet is dat sprake is van fraus legis. Het Hof voegt daar aan toe dat het aanvaarden van dergelijke fiscale gevolgen – zoals toegepast door de belanghebbenden – de Nederlandse belastinggrondslag vrijwel geheel uitholt. Ook is volgens het Hof aan het motiefvereiste voldaan.

In artikel #50 stelden wij de vraag aan de orde of in geval van fraus legis überhaupt een boete kan worden opgelegd. Het Hof gaat op deze algemene vraagstelling niet in maar haakt aan bij het leerstuk van het pleitbare standpunt. De rechtbank had het verweer aangaande het pleitbare standpunt verworpen omdat de bewijslast voor een pleitbaar standpunt op de belastingplichtigen rust en deze in de onderhavige zaak hadden geweigerd om de opinies waarop zij zich hadden beroepen te overleggen.

Het Hof acht deze opinies echter niet relevant voor de beoordeling van de zaak en heeft ook geen behoefte om de belastingplichtigen te verzoeken deze op grond van artikel 8:45 Awb in te brengen. Het Hof oordeelt namelijk dat deze opinies niets afdoen aan het objectieve pleitbare standpunt van de belanghebbenden. Voor het bepalen van het pleitbare standpunt verwijst het Hof in eerste instantie naar een arrest van de Hoge Raad van 23 september 1992 waarin is geoordeeld dat voor het opleggen van een fiscale boete geen plaats is indien degene aan wie de boete is opgelegd naar objectieve maatstaven een pleitbaar standpunt had.

Het Hof overweegt als volgt:

“Gelet op de wettekst, de door belanghebbenden aangehaalde passages uit de wetsgeschiedenis en de op grond daarvan in de fiscale vakliteratuur verdedigde opvattingen, kan naar ’s Hofs oordeel niet worden gezegd dat belanghebbenden met hun structuur en hun aangiften, alsmede met de door hen vóór het opleggen van de aanslagen verstrekte informatie de grens naar strafwaardig handelen in de hiervoor bedoelde zin hebben overtreden. (..) Bij zijn oordeel heeft het Hof in aanmerking genomen dat in het maatschappelijk klimaat ten tijde van het opzetten en implementeren van de structuur en het doen van de aangiften, in de maatschappelijke kringen waarvan belanghebbenden en haar adviseurs deel uitmaakten structuren als de onderhavige als legaal en toelaatbaar werden beschouwd.”

 

Een kort maar krachtig oordeel. Interessant voor de praktijk is dat het Hof duidelijk de stelling inneemt dat een objectief pleitbaar standpunt geen opzet rechtvaardigt. Dit terwijl in de rechtspraktijk wel eens onduidelijkheid bestaat over de vraag of een objectief dan wel een subjectief pleitbaar standpunt opzet en/of schuld uitsluit.

Deze onduidelijkheid vloeit voort uit een arrest van de strafkamer van de Hoge Raad – zie ook artikel #41 – waarin is overwogen dat indien is vastgesteld dat  de verdachte bij het doen van de gewraakte aangifte niet in de veronderstelling verkeerde dat de wijze waarop hij deze aangifte deed toelaatbaar was, hij geen beroep kan doen op een pleitbaar standpunt. Dit arrest wordt ook wel zo uitgelegd dat een belastingplichtige voor het doen van de aangifte bewust een pleitbaar standpunt moet hebben ingenomen. De strafkamer van de Hoge Raad houdt dan een subjectieve toets van het pleitbare standpunt aan.

Wij menen dat deze uitleg onjuist is. In overeenstemming met de uitspraak van het Hof kan een belastingplichtige een objectief pleitbaar standpunt innemen, achteraf bezien wordt opzet en/of schuld dan uitgesloten. Een beroep op het objectief pleitbare standpunt geldt enkel dan niet als uit het dossier blijkt dat de belastingplichtige – zoals in het arrest van de strafkamer van de Hoge Raad – ook zelf in de veronderstelling was dat de aangifte onjuist was. Het is ons inziens echter niet nodig dat voorafgaand aan het indienen van de aangifte een pleitbaar standpunt is ingenomen.

Denk jij dat de Hoge Raad dit oordeel van het Hof zou bevestigen en het objectieve pleitbare standpunt weer duidelijk op de kaart zet?

Geen reacties

Plaats een reactie