#441: Wat niet weet, wat niet deert

De laatste jaren wordt de roep om bestraffing van leidinggevenden van bedrijven die de wet overtreden steeds groter. Onder andere de schikking met ING in 2018 deed de verhitte discussie over klassenjustitie in het strafrecht weer oplaaien (zie ook Vaklunch #302). Waar de rechtspersoon ING namelijk een miljoenenboete moest betalen, bleef een vervolging van de bestuurders van de bank uit. Maar niet voor lang.

Via een artikel 12 Sv-procedure werd alsnog de vervolging van de voormalig CEO van ING afgedwongen. Of die vervolging uiteindelijk ook in een veroordeling zal uitmonden, is nog maar de vraag. Een misstap van een onderneming kan namelijk niet zomaar worden toegerekend aan de topman of -vrouw. Daarvoor moet de bestuurder individueel een verwijt kunnen worden gemaakt. Dat dat in het geval van ING niet zonder meer kan, blijkt uit een recente beslissing van Tuchtrecht Banken, de tuchtinstantie voor bankiers.

Ook via tuchtrechtelijke weg is geprobeerd bestuurders verantwoordelijk te houden voor de gang van zaken bij ING. De tuchtinstantie ontving naar aanleiding van de schikking een stortvloed aan klachten tegen deze bestuurders. Zij zouden in strijd met de bankierseed hebben gehandeld. Sinds 1 april 2015 moeten bankiers een eed afleggen die onder meer voorschrijft dat zij zich houden aan de wet, hun functie integer en zorgvuldig uitoefenen en daarbij het belang van de klant centraal stellen. Tuchtrecht Banken ziet erop toe dat bankiers conform de eed handelen. Overtreding van de eed kan resulteren in onder meer een boete of een beroepsverbod van maximaal drie jaar.

De tuchtcommissie moest zich derhalve over de vraag buigen of de betreffende bestuurders ieder afzonderlijk de bankierseed hadden geschonden. Niet geheel verrassend concludeerde de tuchtcommissie dat het anti-witwasbeleid van de bank jarenlang niet op orde was. Commerciële doelen kregen meer prioriteit en tussen de verschillende managementlagen en afdelingen werd niet goed samengewerkt, waardoor signalen op de werkvloer het hoger management niet bereikten. Er was kortom sprake van een collectief falen binnen de bank, waarbij meerdere personen binnen de bank steken hadden laten vallen. De tuchtcommissie vond echter geen aanwijzingen dat de betreffende bestuurders – voor hun aandeel in het geheel – ook in een voldoende ernstige mate de bankierseed hadden geschonden en dus tuchtrechtelijk laakbaar hadden gehandeld. De klachten werden afgewezen. In haar beslissing benadrukt de tuchtcommissie dat zij niet de bevoegdheid heeft een bank als instelling te sanctioneren, maar dat zij enkel individuele bankmedewerkers kan aanspreken op hun eigen gedrag. Dat betekent dat vast moet komen te staan dat sprake is van een persoonlijke en ernstige overtreding. Daar zit de crux. Zonder aanwijzingen dat de bestuurders individueel een verwijt kan worden gemaakt, is er geen ruimte voor tuchtrechtelijke sanctionering.

Hetzelfde geldt voor het strafrecht. Het strafrecht kent uitdrukkelijk geen vorm van risicoaansprakelijkheid, waarbij een bestuurder automatisch strafrechtelijk kan worden aangesproken voor overtredingen van de onderneming, ongeacht of de bestuurder daar persoonlijk schuld aan heeft. Dat is niet voor niets. In het Nederlandse strafrecht staat individuele verwijtbaarheid centraal. Voor feitelijk leidinggeven aan een strafbaar feit van de rechtspersoon moet bewezen kunnen worden dat de bestuurder zelf (voorwaardelijk) opzet had op dit feit. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de bestuurder van een strafbare gedraging binnen zijn onderneming afweet, maar vervolgens een oogje toeknijpt. Zonder enige wetenschap van de strafbare gedragingen is strafrechtelijke aansprakelijkheid in ieder geval vooralsnog een brug te ver.

Het is afwachten hoe hoog de rechter de aansprakelijkheidsdrempel zal leggen in de aankomende strafzaak tegen de bestuurders van ING. Eerder concludeerde het hof in de artikel 12 Sv-procedure al dat er wel degelijk aanwijzingen zijn dat de top van ING op de hoogte was van de tekortkomingen van het anti-witwasbeleid. Daarmee is nog niet gezegd dat een veroordeling van de oud-topman in zicht is. Uiteindelijk zal wettig en overtuigend vast moeten komen te staan dat hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat ING zich schuldig maakte aan schuldwitwassen (zie ook Vaklunch #107). Dat is een horde die niet zomaar kan en mag worden genomen. Het strafrecht is en blijft namelijk het laatste redmiddel.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

 

Geen reacties

Plaats een reactie