#440: Het recht om vervolgd te worden

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden deed onlangs een opvallende uitspraak in een zogeheten artikel 12 Sv-procedure. Op grond van dat artikel kan een rechtstreeks belanghebbende klagen over de beslissing van de officier van justitie om een verdachte in een bepaalde zaak niet (verder) te vervolgen. Zo’n klacht leidt ertoe dat het gerechtshof de sepotbeslissing opnieuw moet beoordelen.   Normaal gesproken zijn slachtoffers en nabestaanden rechtstreeks belanghebbenden bij de vervolging van (rechts)personen. Zij verlangen natuurlijk dat iemand aansprakelijk wordt gesteld voor het leed dat hun is aangedaan. Maar soms komt een klacht uit onverwachte hoek.

Het komt namelijk voor dat de gewezen verdachte zelf een artikel 12 Sv-procedure start. Hiervoor bestaan verschillende redenen, van gewetenswroeging tot propagandistische motieven, met als meest voorkomende dat de klager uit is op een onherroepelijke vrijspraak. Die uitkomst kan alleen bij de rechter worden verkregen. Over het algemeen wordt aangenomen dat verdachten zelf niet als rechtstreeks belanghebbenden kunnen worden aangemerkt bij een beklag over hun eigen niet-vervolging. Men heeft immers doorgaans geen objectief belang bij een strafvervolging tegen zichzelf, en er bestaat ook geen grond- of mensenrecht op de eigen vervolging. Meestal worden verdachten die in hun eigen zaak een artikel 12 Sv-klacht indienen dan ook niet-ontvankelijk verklaard. Slechts in een zeer beperkt aantal gevallen kan van die regel worden afgeweken. Volgens het hof Arnhem-Leeuwarden was kortgeleden van zo’n uitzonderingssituatie sprake.

Klager was een jongeman die werkte bij een kinderopvang en een basisschool. Een van de kinderen van de basisschool stelde door klager te zijn aangerand, waarna haar moeder aangifte tegen hem deed. Hierop werd een strafrechtelijk onderzoek ingesteld waarbij verschillende personen bij de rechter-commissaris werden gehoord. De officier van justitie stelde op basis van dit onderzoek vast dat geen bewijs bestond voor aanranding door klager. Wel was volgens de officier sprake van dwang zoals strafbaar gesteld in artikel 284 Sr, omdat klager de leerling zou hebben aangesproken met “schatje” en “liefje” en zich aan haar zou hebben opgedrongen. De officier wilde de zaak echter klein houden en koos daarom voor een beleidssepot.

Een beleidssepot is van een andere aard dan een technisch sepot. Voor technische sepots wordt gekozen als iemand ten onrechte als verdachte is aangemerkt (code 01) of als onvoldoende bewijs bestaat voor een veroordeling (code 02). Beleidssepots (codes 03 e.v.) houden in dat het Openbaar Ministerie de feiten wel bewezen acht, maar vervolging om een bepaalde reden niet opportuun vindt. De gevolgen van de keuze voor een bepaalde sepotcode kunnen ver strekken: waar een technisch sepot onzekerheid en onrust in de omgeving van de gewezen verdachte kan wegnemen, geeft een beleidssepot geen formeel uitsluitsel. Bovendien kan een beleidssepot consequenties hebben voor het verkrijgen van vergunningen en subsidies en voor het aanvragen van een VOG.

Dat laatste was ook het geval in de zaak van klager: door de keuze voor een beleidssepot kon hij zijn werk niet meer uitoefenen. Hij had al geprobeerd om de sepotcode door de officier van justitie te laten wijzigen, maar zonder succes. In de daarna gestarte artikel 12 Sv-procedure meende de advocaat-generaal, anders dan de officier, dat onvoldoende bewijs bestond om te kunnen vaststellen dat klager zich aan dwang schuldig had gemaakt. Dat maakte volgens het hof dat sprake was van een uitzonderingssituatie. Klager was ontvankelijk in zijn beklag. Omdat het gerechtshof ook oordeelde dat onvoldoende aanknopingspunten bestonden voor een bewezenverklaring op grond van artikel 284 Sr, meende het dat de zaak aan een rechter moest worden voorgelegd: het beklag werd gegrond verklaard en het Openbaar Ministerie werd bevolen om klager alsnog te vervolgen. Voor klager is nu te hopen dat zijn strafzaak in een vrijspraak eindigt.

Seponering van een strafzaak is voor onze cliënten doorgaans goed nieuws, maar cruciaal blijft welke sepotsoort wordt gekozen. Een beleidssepot kan verstrekkende consequenties hebben voor de betrokkene. Ook binnen het financieel-economisch strafrecht krijgen (gewezen) verdachten vaak te maken met hardnekkige stigma’s en bijbehorende gevolgen. Deze uitspraak toont aan dat vanuit de rechtspraak oog is voor die gevolgen en dat, indien noodzakelijk, uitzonderingen op de regel mogelijk zijn. Dit lijkt ons een goede stap in de richting van rechtspraak met meer oog voor de menselijke maat.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

Geen reacties

Plaats een reactie