#444: Openbaar Ministerie schendt de privacy

Privacy is vandaag de dag een groot goed. Google en Facebook weten alles van je en gevoelige informatie belandt door hackers dikwijls open en bloot op straat. De roep om bescherming van onze privacy is dan ook niet vreemd. De PGP telefoon komt aan deze wens tegemoet nu deze de privacy van de gebruiker waarborgt doordat de communicatie door middel van encryptie is beveiligd. Deze telefoons worden echter juist vanwege deze bescherming ook vaak in verband gebracht met het criminele circuit. Maar betekent dit dan vervolgens dat het Openbaar Ministerie de privacy van alle gebruikers mag schenden?

Uit een recent vonnis van de rechtbank Rotterdam volgt hoe laconiek het Openbaar Ministerie met privacyrechten omgaat. In deze zaak bestond een verdenking van witwassen tegen de leverancier van een PGP telefoon. Het idee hierachter was dat deze leverancier bekend was met het feit dat de telefoon met name door criminelen werd gebruikt en de verkoopopbrengsten aldus geheel of gedeeltelijk een criminele opbrengst hadden.

Ten behoeve van het opsporingsonderzoek heeft het Openbaar Ministerie een rechtshulpverzoek gericht aan Canada en de integrale BES server aldaar gekopieerd. Hierdoor is ongelimiteerd toegang verkregen tot de communicatie en miljoenen berichten. Een gedeelte van deze communicatie is vervolgens met name gebruikt voor andere strafzaken. Verweren die zijn gevoerd zien onder andere op misbruik van bevoegdheid, strijd met het Handvest, inbreuk op de proportionaliteit en subsidiariteit.

De rechtbank gaat op al deze verweren in maar de conclusie is met name dat de rechtbank erkent dat de privacyrechten van telefoongebruikers zijn geschonden, maar dat dit geen gevolgen heeft in de betreffende strafzaak. Een vonnis dat keurig de lijn volgt van de Hoge Raad over de gevolgen van vormverzuimen in een opsporingsonderzoek.

Maar wat dan? Niets dus. Het Openbaar Ministerie kan ongestoord doorgaan met het schenden van privacyrechten. Er bestaat totaal geen oog voor privacyrechten van verdachten of niet verdachten gedurende een opsporingsonderzoek. Het heeft toch geen gevolgen, zo lijkt de gedachte. En zo toont de recente jurisprudentie dat het Openbaar Ministerie op grove wijze privacyrechten schendt door het ongelimiteerd en onnodig inzetten van opsporingsactiviteiten, het delen van gevoelige informatie met derden, het toestaan van het maken van documentaires en ga zo maar door.

Hier moet ons inziens een eind aan komen. Advocaten vragen telkens aandacht voor de vergaande inbreuken die het Openbaar Ministerie maakt maar de strafzaak, het platform waar het Openbaar Ministerie verantwoording moet afleggen voor het gedane opsporingsonderzoek, is kennelijk niet het juiste platform. Een magistratelijke organisatie zou hier ons inziens dan in ieder geval zelf maatregelen moeten nemen. Een oproep dus aan het Openbaar Ministerie om het recht op privacy serieus te nemen.

Overigens is het vonnis van de rechtbank zeer lezenswaardig. Diverse interessante onderwerpen komen aanbod. Enkele voorbeelden zijn: de uitleg van de Prokuratuur jurisprudentie van het Hof van Justitie, de ontsleuteling van data, het gebruik van de software Hansken en de vraag of door dit gebruik nog sprake kan zijn van equality of arms in strafzaken en het bewijs van witwassen. Ook komt het una via beginsel uitgebreid aan de orde, hetgeen in deze zaak tot gevolg heeft dat de rechtspersoon wordt veroordeeld zonder dat een straf wordt opgelegd. En dit is slechts een kleine greep uit de interessante onderwerpen die dit vonnis te bieden heeft. Integraal lezen dus.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

Geen reacties

Plaats een reactie