#437: Klassiek bankbeslag: een wolf in schaapskleren

Het leggen van beslag aan de start van een fraudezaak is eerder regel dan uitzondering. Computers, auto’s en huizen worden veelvuldig aan beslagrondes onderworpen. Ook op giraal geld wordt geregeld beslag gelegd. Wij menen dat dergelijk bankbeslag niet altijd op de juiste gronden gebeurt.

Binnen het strafrecht bestaan twee vormen van beslag: klassiek en conservatoir. Op grond van het eerste lid van artikel 94 Sv mag klassiek beslag worden gelegd op alle voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen (het zogeheten waarheidsbeslag). Het tweede lid breidt die mogelijkheid uit ten aanzien van voorwerpen die kunnen worden verbeurdverklaard of onttrokken aan het verkeer. Conservatoir beslag (94a Sv) kan alleen worden gelegd als de verdenking ziet op bepaalde misdrijven, waaronder delicten die vaak centraal staan in fraudeonderzoeken. Voor conservatoir beslag is altijd een machtiging van de rechter-commissaris vereist.

In de praktijk komt het voor dat bankrekeningen worden beslagen op de voet van artikel 94 Sv (klassiek beslag). Van waarheidsbeslag kan in die gevallen volgens ons geen sprake zijn – het doen van onderzoek naar een bankrekening is immers heel goed mogelijk zonder dat die rekening beslagen is. Anders dan bij bijvoorbeeld vuurwapens of laptops, voorwerpen die fysiek nodig zijn voor onderzoek, kan het Openbaar Ministerie simpelweg contact opnemen met de bank en de benodigde stukken opvragen. Klassiek bankbeslag wordt dus doorgaans gestoeld op het tweede lid van artikel 94 Sv. En juist die variant is een wolf in schaapskleren.

De toets die de Hoge Raad heeft geformuleerd om de rechtmatigheid van beslag op grond van artikel 94 lid 2 Sv te beoordelen, is de vraag of het hoogst onwaarschijnlijk is dat de rechter de beslagen goederen bij een veroordeling verbeurd zal verklaren (het “hoogst onwaarschijnlijk-criterium”). In de praktijk blijkt dit, zeker bij bankbeslag, een loze toets: het komt er in feite op neer dat, als de theoretische mogelijkheid tot verbeurdverklaring bestaat, het beslag wordt gehandhaafd. Hiervoor is verder kennelijk geen enkel strafvorderlijk belang vereist. A-G Knigge meent om die reden dat een nieuwe, indringender toets nodig is. Wij zijn het met hem eens, en willen zelfs nog een stap verder gaan.

Langdurige bankbeslagen op grond van het tweede lid van artikel 94 Sv zijn in onze ogen gewoon verkapte conservatoire beslagen. Bankbeslag op basis van het hoogst onwaarschijnlijk-criterium heeft immers als enige doel om de verbeurdverklaring gemakkelijk ten uitvoer te kunnen leggen, precies zoals beslag op grond van artikel 94a Sv wordt gelegd om de betaling van een latere straf of maatregel veilig te stellen. De officier van justitie heeft zo de mogelijkheid om conservatoir beslag te leggen zonder eerst een machtiging van de rechter-commissaris te hoeven opvragen. Een officier die geen tijd (of zin) heeft om een machtiging af te wachten, kan onder de dekmantel van het klassieke beslag zijn gang gaan en het beslag eventueel later alsnog, mét een machtiging, omzetten.

Dit ‘trucje’ heeft grote gevolgen voor de beslagene: naast het omzeilen van de machtiging worden nog andere belangrijke waarborgen hierdoor buitenspel gezet. In tegenstelling tot het klassieke beslag zijn namelijk op strafrechtelijk conservatoir beslag enkele bepalingen uit het civiele recht van toepassing verklaard. Een verdachte ten laste van wie conservatoir bankbeslag is gelegd, heeft bijvoorbeeld recht op een beslagvrij bedrag: een deel van het saldo moet buiten het beslag vallen, om ervoor te zorgen dat de verdachte geld overhoudt voor primaire levensbehoeften. Als klassiek bankbeslag wordt gelegd met het oog op verbeurdverklaring, geldt die regel niet: hoewel feitelijk sprake is van bewarend beslag, krijgt de verdachte niet de bescherming die daarbij hoort.

Wat ons betreft laat het huidige wettelijk systeem dan ook te wensen over. Mr. dr. Nan pleitte al in 2018 voor een andere manier van classificeren in het nieuwe Wetboek van Strafvordering: aan de ene kant het waarheidsbeslag uit artikel 94 lid 1 Sv, en aan de andere het conservatoir (verhaals)beslag (artikelen 94 lid 2 en 94a Sv). Wij sluiten ons bij die zienswijze aan. Wat ons betreft betekent dat dat op bankrekeningen alleen nog maar conservatoir beslag kan worden gelegd (aan de waarheidsvinding kan bankbeslag immers niet bijdragen). Daaruit volgt dat hiervoor altijd een machtiging van de rechter-commissaris vereist is én dat rekening moet worden gehouden met de waarborgen uit het civiele recht.

De Raad van State moet nog advies uitbrengen over het gemoderniseerde wetboek – hopelijk wordt het concept naar aanleiding daarvan op dit punt herzien. Tot die tijd zullen wij onze principiële argumenten in beklagprocedures naar voren blijven brengen.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

Geen reacties

Plaats een reactie