#223: Het laatste woord

Elke zaak verdient een eigen afweging of het verstandig is dat een verdachte gebruik maakt van het recht het laatste woord te voeren aan het einde van het onderzoek ter zitting. Het laatste woord geeft de verdachte de gelegenheid om als laatste zijn eigen zegje te doen zonder dat de officier van justitie nog de gelegenheid krijgt om hierop te reageren. Iedere advocaat heeft wel een anekdote waarin het laatste woord verkeerd valt; een ongepaste snik van de verdachte, een ellenlange herhaling van zetten en soms zelfs alsnog een puntgave bekentenis of spijtbetuigingen. Een laatste woord kan de rechter echter ook een positieve vibe geven vlak voordat er wordt ‘geraadkamerd’. Een goede voorbereiding is dus geboden. Daarbij kan het helpen om een laatste woord op papier te zetten. Maar heeft een schriftelijk laatste woord ook als laatste woord te gelden?

Het recht op een laatste woord is neergelegd in artikel 311, lid 4, van het Wetboek van Strafvordering (Sv). De rechtbank of het Hof dient aan de verdachte de gelegenheid te bieden om een laatste woord te houden. Deze gelegenheid moet expliciet geboden worden op straffe van nietigheid van de procedure. In een recente procedure voor de Hoge Raad deed zich de vraag voor of een op schrift gesteld laatste woord dat niet gedurende de zitting mondeling is uitgesproken als laatste woord heeft te gelden.

Uit het proces-verbaal van de terechtzitting volgt dat de verdachte de gelegenheid is gegeven als laatste het woord te voeren. De verdachte heeft daarop een op schrift gesteld laatste woord overgelegd. Het laatste woord wordt in het dossier gevoegd maar uit het proces-verbaal blijkt niet dat de verdachte het laatste woord daadwerkelijk heeft uitgesproken. Uit de conclusie bij dit arrest maken wij op dat in de toelichting op het middel wordt gesteld dat het Hof niet heeft voldaan aan het gestelde in artikel 311, vierde lid, Sv door genoegen te nemen met het in ontvangst nemen van een op schrift gesteld laatste woord in plaats van verdachte ‘het laatst te laten spreken’. Ter motivatie daarvan wordt aangevoerd dat op deze manier een laatste woord ongehoord en wellicht ook ongelezen in het dossier terecht komt. Om die reden had het Hof de verdachte moeten uitnodigen om deze verklaring mondeling voor te dragen.

De advocaat-generaal schrijft dat door het Hof de gelegenheid is geboden aan de verdachte om het laatst te spreken. Het is dan aan de verdachte of hij hier gebruik van wenst te maken of niet. Kennelijk heeft de verdachte – aldus de advocaat-generaal – geen gebruik willen maken van dit recht en is volstaan met het overleggen van een schriftelijke verklaring. Het is dan niet aan het Hof om de verdachte uit te nodigen om deze schriftelijke verklaring alsnog toe te lichten. Daartoe verwijst de advocaat-generaal nog naar een arrest van de Hoge Raad uit 1979 waarin de Hoge Raad heeft goed gevonden dat een brief van de verdachte, ook als deze niet wordt voorgelezen, als geïnsereerd in het mondeling betoog van de verdachte wordt beschouwd.

De Hoge Raad verwerpt het cassatiemiddel met artikel 81 RO. Het is in deze zaak dus voldoende dat het Hof een gelegenheid biedt aan de verdachte om het laatste woord te voeren. Het is dan aan de verdachte om hiervan al dan niet gebruik te maken. Het laatste woord blijft in ieder geval een punt om goed voor te bereiden, mondeling of schriftelijk.

Heb je vragen of wil je van gedachten wisselen over het voorgaande neem dan contact met ons op via boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

Geen reacties

Plaats een reactie