#396: De ‘eigen’ waarneming

Uit het Wetboek van Strafvordering volgt dat het bewijs de kern van ons strafvorderlijk stelsel vormt: zonder bewijs geen veroordeling. Artikel 339, lid 1, Sv somt de wettige bewijsmiddelen op. Naast verklaringen van de verdachte, de getuige of de deskundige en schriftelijke bescheiden is dat ook de eigen waarneming van de rechter. Maar is nog sprake van eigen waarneming van de rechter indien de waarneming door een andere rechter is gedaan? Deze vraag heeft de Hoge Raad beantwoord in het arrest van 27 oktober 2020.

Het bewijsmiddel van de eigen waarneming van de rechter is mogelijk nog specifieker dan het feit van algemene bekendheid dat voor het bewijs kan worden gebruikt. Wat ‘feiten van algemene bekendheid zijn’ is niet altijd duidelijk. Deze vraag leidt dan ook tot de nodige jurisprudentie. Zo schreven wij in Vaklunch #289 over het arrest van de Hoge Raad van 10 juli 2018 waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld dat het hof heeft kunnen aannemen dat het voor de betrokkenen duidelijk was dat het in die zaak ging om een algemeen bekend gegeven over de gesteldheid op de openbare weg dat (ook) uit de algemeen toegankelijke bron Google Maps was af te leiden, zonder ‘noemenswaardige moeite of specialistische kennis’. In deze Vaklunch concludeerden wij dat dat dit een slippery slope is.

In het arrest van 27 oktober 2020 is het oordeel rechtlijniger. In cassatie is geklaagd tegen het feit dat het hof voor het bewijs gebruik heeft gemaakt van een “eigen waarneming” van ter zitting getoonde beelden die het hof in een andere samenstelling heeft gedaan dan de samenstelling die het bestreden arrest heeft gewezen. Het antwoord van de Hoge Raad op de vraag of sprake is van eigen waarneming van de rechter indien deze door een andere rechter is gedaan is: nee, dat is niet het geval. De Hoge Raad oordeelt: “Er is slechts dan sprake van een ‘eigen waarneming’ van de rechter zoals bedoeld in artikel 340 Sv, indien de waarneming is gedaan door de rechters die deel uitmaken van de samenstelling van het gerecht dat de bestreden uitspraak heeft gewezen.”

Toch leidt deze klacht niet tot cassatie. De Hoge Raad oordeelt namelijk dat geen rechtsregel eraan in de weg staat dat – in het geval de samenstelling een andere is dan de samenstelling die op een eerdere terechtzitting een waarneming heeft gedaan – op grond van artikel 344, lid 1, aanhef en onder 2, Sv voor het bewijs gebruik wordt gemaakt van het proces-verbaal van de eerdere terechtzitting waarin deze waarneming is opgeschreven. De Hoge Raad concludeert dat voor zover het cassatiemiddel berust op de opvatting dat het bewijsmiddel is gebruikt als ‘eigen waarneming’ van de rechter het feitelijke grondslag mist.

Hoewel dit oordeel bewijstechnisch te volgen is en ook in lijn is met het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2012, dient te worden onderkend dat het gevaar op de loer kan liggen dat het bewijsmiddel van de ‘eigen waarneming’ van de rechter wordt uitgehold. Immers, door die waarneming aan het papier toe te vertrouwen krijgt het een ander bewijs ‘label’ dat niet meer specifiek toebehoort aan een specifieke rechter of zittingscombinatie. Daarmee verwordt het bewijsmiddel van het schriftelijk bescheid tot een vangnetbepaling. Het is aan de verdediging om hier alert op te blijven en waar nodig scherp verweer te voeren op de inhoud van die waarneming.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl. Uiteraard is het ook mogelijk om over dit onderwerp te praten in een (digitale) Vaklunch on demand bij jou op kantoor.

 

Geen reacties

Plaats een reactie