#345: Wishful thinking?

De uitspraak van Rechtbank Den Haag van 1 november 2019 houdt de gemoederen flink bezig. Het gaat om een zaak waarin een voormalig plaatsvervangend hoofdofficier van justitie wordt verdacht van strafbare feiten, maar buiten vervolging is gesteld vanwege de schijn van partijdigheid van het Openbaar Ministerie. De vraag die ons bezig houdt is, mogen alle verdachten nu rekenen een magistratelijk optreden van het Openbaar Ministerie of geldt dat alleen voor verdachten uit de eigen gelederen?

Het zal eenieder niet zijn ontgaan dat de rechtbank in Den Haag op 1 november 2019 de verdachte oud-officier buiten vervolging heeft gesteld. De betrokkene wordt verdacht van het tegen betaling hebben van seksuele contacten met een 16-jarige jongen. De zaak was in behandeling bij twee officieren van justitie die werkzaam waren bij het parket in Amsterdam. Aangezien de verdachte in hetzelfde arrondissement werkzaam was, is op basis van artikel 510 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) advies gevraagd aan de Hoge Raad waar de vervolging diende plaats te vinden.

Artikel 510 Sv bepaalt dat als een rechterlijk ambtenaar binnen het ressort van zijn rechtbank of zijn gerechtshof zou moeten worden vervolgd, op verzoek van het Openbaar Ministerie door de Hoge Raad een ander gerecht wordt aangewezen waarvoor de vervolging en berechting van de zaak zal plaatsvinden. Op dit betreffende verzoek heeft de Hoge Raad beslist dat artikel 510 Sv zo dient te worden uitgelegd dat het doel van dit artikel is dat de schijn van partijdigheid dient te worden vermeden en dat dit eveneens geldt voor de beslissing van het Openbaar Ministerie om de zaak al dan niet te vervolgen. Uit het doel en strekking van de wet volgt daarom volgens de Hoge Raad dat deze regeling ook van toepassing is op een bij het functioneel parket werkzaam geweest zijnde rechterlijk ambtenaar. De Hoge Raad wijst daarop de rechtbank Den Haag aan als het gerecht waarvoor de vervolging en berechting zullen plaatshebben.

Gelet op deze beslissing is de zaak verwezen naar het arrondissement van het parket Den Haag. Desondanks wordt de zaak nog steeds behandeld door de zaaksofficieren uit Amsterdam op verzoek van de Haagse parketleiding. Het Openbaar Ministerie ziet geen probleem in deze “papieren overdracht”. Beide officieren zijn immers bevoegd om als plaatsvervangers in Den Haag op te treden. Verder was ook de Haagse parketleiding betrokken bij de vervolgingsbeslissing volgens het Openbaar Ministerie.

Rechtbank Den Haag ziet dat anders. De rechtbank oordeelt dat deze handelswijze van het Openbaar Ministerie in strijd is met doel en strekking van artikel 510 Sv en de beschikking van de Hoge Raad. De Rechtbank acht het daarom hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, het openbaar ministerie ontvankelijk zal verklaren in zijn vervolging. Het bezwaarschrift tegen de dagvaarding is dan ook gegrond.

Welke lessen kunnen wij hier nu uit trekken? Wij zouden menen dat deze uitspraak zo zou moeten worden uitgelegd dat als het Openbaar Ministerie de schijn van partijdigheid tegen zich heeft dat dan niet-ontvankelijkheid het gevolg is. Kennelijk is de onpartijdigheid van het Openbaar Ministerie een groot goed. Ons inziens dient dat in alle zaken te gelden. Wij pleiten er aldus voor om deze uitspraak dusdanig te interpreteren dat wanneer ook in andere zaken leden van het Openbaar Ministerie partijdig opereren of in ieder geval de schijn van partijdigheid wekken, niet-ontvankelijkheid de juiste reactie is.

Of is dit wishful thinking en geldt de eis van een onpartijdig Openbaar Ministerie alleen voor leden van het Openbaar Ministerie zelf?

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl. Uiteraard is het ook mogelijk om over dit onderwerp te praten in een Vaklunch on demand bij jou op kantoor.

 

 

Geen reacties

Plaats een reactie