#253: Schizofrenie en de onschuldpresumptie

De onschuldpresumptie is een groot goed in ons rechtsstelsel. Dit recht is vastgelegd in artikel 6, lid 2, van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM). Iedereen die verdacht wordt van een strafbaar feit komt dit recht toe. De Hoge Raad en rechters in den lande onderkennen op zichzelf dat ook in fiscale zaken onder omstandigheden de onschuldpresumptie gerespecteerd moet worden. Toch lijken beeld en geluid bij de toepassing op concrete zaken niet te kloppen.

In het arrest Melo Tadeu tegen Portugal van 23 oktober 2014 heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens duidelijk gemaakt dat ook indien geen sprake (meer) is van een criminal charge het artikel niet zonder meer betekenisloos is voor een fiscale procedure. Het EHRM is helder; een strafrechtelijke vrijspraak mag in een fiscale procedure niet in twijfel worden getrokken. In nationale procedures is het oordeel uit het Melo Tadeu aan de orde geweest. In de arresten van 14 april 2017 en 2 juni 2017 heeft de Hoge Raad geoordeeld over fiscale procedures waarin is geoordeeld over een feitencomplex waarvoor de strafrechter al een vrijspraak had uitgesproken (of de zaak was geseponeerd). De Hoge Raad erkent conform de jurisprudentie van het EHRM dat de onschuldpresumptie gerespecteerd moet worden:

“In laatstbedoelde gevallen dient de belanghebbende te stellen en te bewijzen dat een voldoende verband (‘link’) bestaat tussen de strafrechtelijke procedure en de latere bejegening door een bestuurlijke autoriteit of de latere gerechtelijke procedure.”

Laatstgenoemde zaak draaide om een hennepkwekerij. De strafzaak tegen de verdachte was geseponeerd, maar de betrokkene kreeg wél aanslagen voor de inkomsten uit hennepteelt. In de fiscale zaak tegen deze aanslagen heeft het Hof geoordeeld dat ‘nog daargelaten dat niet valt uit te sluiten dat ook andere overwegingen dan alleen het voorhanden zijnde bewijs een rol hebben gespeeld bij de beslissing van de Officier van Justitie om van verdere vervolging van belanghebbende af te zien – het aan de belastingrechter is om zich aan de hand van de in de belastingprocedure ingebrachte bewijsmiddelen zelfstandig een oordeel te vormen over de voor de belastingheffing van belang zijnde feiten en omstandigheden’. De Hoge Raad oordeelt dat hieruit niet blijkt dat het Hof heeft onderkend dat uit de uitspraak in de fiscale procedure twijfel kan worden gezaaid over de juistheid van de gronden waarop is beslist de strafrechtelijke vervolging niet door te zetten. Toch casseert de Hoge Raad niet omdat belanghebbende niet voldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd dat in deze uitspraak twijfel zou bestaan over de juistheid van de gronden van het sepot. Ook het cassatieberoep in het andere arrest struikelt over bewijsregels.

Wrange oordelen voor de belanghebbenden. De Hoge Raad heeft in het arrest van 20 maart 2015 geoordeeld dat zolang er maar geen twijfel wordt gezaaid over de juistheid van een vrijspraak onder meer door de door fiscale rechters gebruikte bewoordingen de onschuldpresumptie niet geschonden is. Een oplettende rechter kan hiermee ons inziens de onschuldpresumptie – met de zegen van de Hoge Raad – omzeilen. Het is de vraag of dit recht doet aan de door het EHRM ingezette lijn om de onschuldpresumptie te beschermen.

In haar recente bijdrage in het Nederlands Tijdschrift voor Fiscaal Recht schrijft mr. dr. N. Djebali dat ze begrip heeft voor de frustratie die dit kan opleveren voor de belanghebbende: ‘De betrokkene zag zijn onschuld bevestigd door de strafrechter en acht zich gevoelsmatig opnieuw terecht staan voor de belastingrechter’.[1] Onderkend wordt ook dat deze ‘schizofrenie’ ontstaat door de verschillende bewijsstelsel. Haar oordeel dat als de Hoge Raad uit de spagaat tussen het straf- en bestuursrecht wil geraken een nog principiëlere keuze zal moeten worden gemaakt kunnen wij dan ook alleen maar onderschrijven. Dat deze keuze wat ons betreft in het voordeel van de vrijgesproken belastingplichtige dient uit te vallen zal geen nadere toelichting nodig hebben.

Heb je vragen of wil je van gedachten wisselen over het onderwerp witwassen neem dan contact met ons op via boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

[1] Mr. dr. N. Djebali, ‘Toenemende invloed van artikel 6 EVRM op zuivere belastinggeschillen’, NTFR, 2018/2.

Geen reacties

Plaats een reactie