#126: Een boete aan een ontbonden rechtssubject?

Artikel 69 van het Wetboek van Strafrecht stelt dat het recht tot strafvordering vervalt door de dood van de verdachte. Dit geldt in beginsel ook voor de rechtspersoon. In het fiscale boeterecht is dit geen vanzelfsprekendheid. Een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland brengt daar nu wellicht verandering in.

De Strafkamer van de Hoge Raad oordeelde op 8 maart 1994 (NJ 1994/408) dat de ontbinding van een rechtspersoon aan vervolging in de weg staat, ex artikel 69 Sr, indien de ontbinding op het tijdstip waarop de vervolging aanvangt voor derden kenbaar is. Bijvoorbeeld door publicatie van de ontbinding in het handelsregister. De Hoge Raad voegt hier evenwel aan toe dat de opdrachtgever of de feitelijk leidinggevende in dit geval uiteraard nog wel kan worden vervolgd.

De Belastingkamer van de Hoge Raad oordeelde in zijn arrest van 12 augustus 2005 echter dat uit het beginsel dat het recht op strafvervolging niet kan worden uitgeoefend jegens een overleden persoon, niet zonder meer volgt dat geen fiscale boete kan worden opgelegd aan een ontbonden commanditaire vennootschap in verband met een tijdens haar bestaan ontstane belastingschuld. De Hoge Raad overweegt daartoe dat de natuurlijke personen – de uiteindelijke gerechtigden – niet in de onmogelijkheid verkeren te delen in de gevolgen van die boete. Evenmin doet die ontbinding afbreuk aan de mogelijkheid van deze natuurlijke personen om tegen de beboeting in het geweer te komen. De Hoge Raad stelt dat enkel de wijze waarop zij hun onderlinge verhouding en hun gezamenlijk uitgeoefende ondernemersactiviteit juridisch hadden vormgegeven, verandert door de ontbinding. Dat rechtvaardigt volgens de Hoge Raad echter niet dat dan aan hen een boete blijft bespaard. In de literatuur wordt wel aangenomen dat dit arrest eveneens kan worden doorgetrokken naar andere rechtssubjecten.

De uitspraak van de Belastingkamer van de Hoge Raad is  met name ingegeven door het idee dat de achterliggende natuurlijke personen (de uiteindelijke gerechtigde) geen beboeting zouden moeten kunnen ontkomen door ontbinding van de vennootschap. Deze situatie verschilt uiteraard van het strafrecht omdat in het strafrecht de mogelijkheid bestaat om de natuurlijke personen als feitelijk leidinggevende of opdrachtgever aan te pakken. Door dit achterliggende idee meent de rechtbank Noord-Holland nu te kunnen aansluiten bij het uitgangspunt van de Strafkamer van de Hoge Raad.

De rechtbank Noord-Holland oordeelt op 17 juli 2015 het volgende:

“Voor zover de Belastingkamer van de Hoge Raad in zijn arrest van 12 augustus 2005 ter zake van fiscale boetes van de rechtspraak van de Strafkamer is afgeweken, bestaat daarvoor naar het oordeel van de rechtbank sinds invoering van de vierde tranche per 1 juli 2009 nog onvoldoende aanleiding in een geval als het onderhavige. Sindsdien is het immers overeenkomstig het strafrecht mogelijk om (ook) aan hen die tot het feit opdracht hebben gegeven, alsmede tegen hen die feitelijke leiding hebben gegeven aan de beboetbare gedraging een bestuurlijke boete op te leggen (artikel 5:1, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 51, tweede lid, Sr). Met deze mogelijkheid is een belangrijk verschil met het strafrecht komen te vervallen, waardoor er onvoldoende reden is om voor dit soort gevallen nog langer af te wijken van het strafrecht.”

Los van de vraag of het arrest van de Hoge Raad ook voor andere rechtsubjecten kunnen wij ons vinden in de conclusie van de rechtbank dat moet worden aangesloten bij de jurisprudentie van de strafkamer van de Hoge Raad. Wij zien geen reden voor de fiscale rechter om af te wijken van de jurisprudentie van de Hoge Raad waardoor niet zonder meer nog een boete kan worden opgelegd aan een ontbonden rechtspersoon of ander rechtssubject. Vind jij dat de Belastingkamer van de Hoge Raad zijn jurisprudentie ten aanzien van de verdachte en ontbonden rechtspersoon/rechtssubject moet aanpassen?

 

 

Geen reacties

Plaats een reactie