#312: Uit een ander vaatje getapt

Tegen een advocaat die niet in het belang van zijn cliënt handelt kan een tuchtklacht worden ingediend bij de deken van de Orde van Advocaten. Voor officieren van justitie geldt dergelijk tuchtrecht niet. Wel kan worden geklaagd over het gedrag van een officier van justitie bij de Nationale ombudsman. De advocaten van Johan van Laarhoven hebben deze weg bewandeld. En met succes. De Nationale ombudsman heeft zich kritisch uitgelaten over het handelen van het Openbaar Ministerie deze specifieke zaak geuit in het rapport van 11 maart 2019.

Vanaf 2011 liep tegen Van Laarhoven een strafrechtelijk onderzoek, in verband met het telen van en handelen in hennep en hasjiesj, witwassen en deelneming aan een criminele organisatie. In het kader van dat onderzoek had het Nederlandse Openbaar Ministerie onder meer aan Spanje en Luxemburg verzocht rechtshulp te verlenen, alsook aan Thailand. Het doel van dit laatste rechtshulpverzoek was om beslag te leggen op vermogen en onroerend goed in Thailand.

Nadat bleek dat de Thaise autoriteiten niet op het volgens het Nederlandse Openbaar Ministerie gewenste moment gevolg zouden geven aan de uitvoering van het rechtshulpverzoek van begin 2014 heeft het Openbaar Ministerie “uit een ander vaatje getapt”. Om de Thaise autoriteiten tot actie te bewegen besluit de liaison officier van de Nederlandse politie na overleg daartoe met de officier van justitie Thailand per brief – een maand nadat het rechtshulpverzoek is gedaan – in overweging te geven om een eigen strafrechtelijk onderzoek te starten. Opmerkelijk is dat in de bewuste brief staat dat de vrouw van Van Laarhoven verdachte is, terwijl zij blijkens het rechtshulpverzoek als getuige was aangemerkt. Tegen haar liep in Nederland geen strafrechtelijk onderzoek.

Uiteindelijk zijn Van Laarhoven en zijn vrouw in Thailand aangehouden en aldaar tot jarenlange gevangenisstraffen veroordeeld. Van Laarhoven en zijn vrouw voelen zich ernstig benadeeld door het handelen van de Nederlandse overheid en klagen over de onzorgvuldigheid van de overheid door Thailand per brief te verzoeken een strafrechtelijk onderzoek naar hen in te stellen.

Het onderzoek van de Nationale ombudsman kent overigens het nodige tijdsverloop. In september 2016 heeft de Nationale ombudsman eerst een oriënterend onderzoek gedaan om vast te stellen dat er geen (straf)rechtelijke procedures aanhangig waren over dezelfde gedragingen. Pas in maart 2017 is het officiële onderzoek gestart. Het Ministerie heeft zich destijds op het standpunt gesteld dat er wel een strafrechtelijke procedure was over een samenhangende gedraging en kon om die reden geen medewerking verlenen aan het onderzoek van de Nationale Ombudsman. Wel is met het Ministerie vastgesteld dat artikel 9:23k Algemene Wet Bestuursrecht van toepassing is, op basis waarvan de Nationale ombudsman kan beslissen of hij ondanks de samenloop de klacht al dan niet in behandeling neemt. Vanwege de grote belangen van de betrokkenen en het feit dat in Nederland geen reëel zicht was op een vervolgingsbeslissing, heeft de ombudsman besloten het onderzoek voort te zetten.

Het Openbaar Ministerie heeft informatie rondom het rechtshulp verstrekt aan de ombudsman, waaronder interne correspondentie. Hoewel de details van de eerdere inspanningen van advocaten niet uit het rapport blijken, blijkt dat over deze kwestie in kort geding is geprocedeerd, een voorlopige getuigenverhoor van een officier van justitie heeft plaatsgevonden en dat informatie is verkregen via WOB-verzoeken die ook aan de ombudsman is verstrekt. Uit de interne correspondentie blijkt dat het onderzoeksteam van het Openbaar Ministerie in 2012 al onder ogen heeft gezien dat Thailand de doodstraf hanteert voor drugsdelicten. Ook blijkt dat in 2013 een PowerPoint presentatie zou zijn gegeven over het Nederlandse onderzoek aan Thaise autoriteiten.

De klacht over de wijze waarop het Openbaar Ministerie en het Ministerie van Justitie en Veiligheid hebben gehandeld is  door de Nationale ombudsman gegrond verklaard. De Nationale ombudsman oordeelt dat de overheid haar acties niet goed hebben voorbereid en daarbij het perspectief van Van Laarhoven en zijn vrouw uit het oog hebben verloren, terwijl de gevolgen voorzienbaar waren. Het evenredigheidsbeginsel is daardoor geschonden.

Het rapport van de Nationale ombudsman is zeer lezenswaardig. De nauwe samenwerking tussen de Nederlandse overheid en andere landen – ook landen waar de rechten van verdachten en veroordeelden niet aan de Nederlandse standaard voldoen – is vanuit de fraudepraktijk herkenbaar. Het rapport geeft een uniek inkijkje in de wijze waarop het Openbaar Ministerie contacten onderhoudt met derde landen en de sturende wijze waarop wordt geacteerd. Een wijze les voor alle procespartijen en een flinke tik op de vingers van het Openbaar Ministerie die schreeuwt om actie van het Openbaar Ministerie en de minister om de betrokkenen uit hun benarde situatie te halen.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

Geen reacties

Plaats een reactie