#267: Het spook Bibob

In het huidige tijdperk heeft een strafrechtadvocaat veel meer kennis nodig dan de veronderstelde kennis van het wetboek van Strafrecht en Strafvordering. Voor een goede verdediging en proceskeuzes moet je ook bijvoorbeeld weten als strafrechtadvocaat wat de gevolgen zijn van een strafrechtelijk onderzoek, een transactie, een strafbeschikking en/of een veroordeling. Op die manier kan op een proactieve manier een verdedigingsstrategie worden uitgezet en de belangen worden afgewogen. Een van de terreinen waarvan kennis noodzakelijk is, is de Wet Bevordering Integriteitsbeoordelingen door het Openbaar Bestuur (Bibob). Wij informeren je dan ook graag over een voorgenomen uitbreiding van deze wet.

De Wet Bibob is op 18 oktober 2002 in werking getreden en heeft tot doel om misbruik van vergunningen of subsidies te voorkomen. Met andere woorden, men wil voorkomen dat de overheid door subsidie- of vergunningverlening onbedoeld criminele activiteiten faciliteert. De Wet Bibob is van toepassing wanneer sprake is van een rechtsverhouding tussen een burger en de overheid in ‘kwetsbare’ sectoren. Als kwetsbare sectoren zijn – bij AMvB (Besluit Bibob) – bijvoorbeeld aangemerkt de transportbranche, horeca, exploitatie van speelautomaten en huisvestings- en omgevingsvergunningen. Het moet dan gaan om vergunningverlening, subsidieverlening of een aanbesteding.

De Wet Bibob geeft bestuursorganen de bevoegdheid te toetsen in hoeverre risico bestaat dat subsidies en vergunningen zullen worden gebruikt voor het plegen van strafbare feiten. Indien dit risico als voldoende ernstig wordt ingeschat – als een ‘ernstig gevaar’- mag de overheid de vergunning weigeren of intrekken. Daarbij is niet vereist dat de vergunningaanvrager reeds een (onherroepelijke) veroordeling op zijn naam heeft staan. Op grond van artikel 3 kan dit ‘ernstig gevaar’ zien op twee situaties:

  1. Benutten voordeel (lid 1, onderdeel a)
  2. Toekomstige strafbare feiten (lid 1, onderdeel b)

Onderdeel a heeft betrekking op het gevaar dat een vergunning (mede) zal worden gebruikt om geld dat is verkregen uit gepleegde strafbare feiten te benutten. Een dergelijk gevaar kan worden aangenomen indien aannemelijk is dat strafbare feiten zijn gepleegd waarmee vermogen is vergaard. Ten tweede speelt de ernst van het vermoeden een rol (onderdeel b). De ernst kan volgen uit de feiten en omstandigheden, maar bijvoorbeeld ook uit de reactie van een overheidsinstantie zoals het Openbaar Ministerie.

De reikwijdte van de Wet Bibob is breed en bestuursorganen genieten een grote beoordelingsvrijheid. De Wet Bibob kan in een vroegtijdig stadium al een rol gaan spelen in een strafrechtelijk onderzoek. Een veroordeling is immers niet vereist. Er dient enkel sprake te zijn van een objectiveerbaar vermoeden dat de aanvrager in relatie staat tot de strafbare feiten. Dit maakt dat soms in een vroeg stadium al dient te worden geacteerd tegen voornemens van bijvoorbeeld gemeentes om vergunningen in te trekken, niet te verlengen of niet te verlenen terwijl het strafrechtelijk onderzoek nog loopt. Een onderneming kan dus als het ware al kapot gemaakt worden voordat er een rechter aan te pas is gekomen. In Bingöl tegen Nederland heeft het EHRM geoordeeld dat het weigeren van een exploitatievergunning op grond van de Wet Bibob echter niet in strijd is met de onschuldpresumptie ex artikel 6, tweede lid, EVRM.

Er ligt nu een wetsvoorstel om de Wet Bibob verder uit te breiden. De uitbreiding komt neer op twee belangrijke speerpunten. Allereerst wordt de informatievoorziening uitgebreid. Nieuw is dat overheden justitiële gegevens kunnen opvragen bij hun onderzoek naar de zakelijke omgeving van een bedrijf of persoon. Dat gaat over degene die – bijvoorbeeld – de aanvrager van een vergunning veel geld leent. Maar het kan ook een beheerder, bestuurder of aandeelhouder zijn, die vermeld staat op de aanvraag van een subsidie. Nu mogen overheden alleen justitiële gegevens gebruiken over de aanvrager zelf en niet van zijn zakelijke relaties.

Verder wordt het toepassingsbereik uitgebreid. Onder de huidige Wet Bibob is het reeds mogelijk voor rechtspersonen met een overheidstaak om – middels eigen onderzoek of een adviesaanvraag – onderzoek te doen naar de natuurlijke persoon of rechtspersoon met wie een vastgoedtransactie is of wordt aangegaan (de betrokkene). De wet wordt nu dusdanig uitgebreid dat het Bibob instrumentarium ook kan worden ingezet bij het verlenen van toestemming voor de overdracht van erfpacht bij vastgoedtransacties.

Het is van belang om op de hoogte te zijn van het toepassingsbereik van de Wet Bibob zodat de maatregelen niet onverwachts als een spook de hoek om komen kijken en in strafrechtelijke procedure reeds in een vroegtijdig stadium rekening kan worden gehouden met de mogelijke gevolgen van de Wet Bibob.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

Tags:
Geen reacties

Plaats een reactie