#212: Mensen- én maatwerk

Straftoemetingsrichtlijnen zijn tegenwoordig niet meer weg te denken uit het strafrecht. Het Openbaar Ministerie ‘vaart’ op dergelijke regels en de rechtbanken en hoven maken er gretig gebruik van. Het gaat om de welbekende LOVS-richtlijnen, waarin onder meer richtsnoeren zijn gegeven voor toe te passen straffen gebaseerd op het (fiscale)benadelingsbedrag in geval van fraudezaken. Ook besteden de richtlijnen aandacht aan straf verzwarende en straf verminderende omstandigheden. De achterliggende gedachte van deze richtlijnen is om zoveel mogelijk eenheid te creëren binnen de straftoemeting. Immers, het blijft naast maatwerk ook mensenwerk. Maar de richtlijnen zijn geen recht in de zin van artikel 79 RO. De rechtbanken en hoven hoeven zich er dus niet aan te houden. Mag de rechter in alle gevallen afwijken van de LOVS-richtlijnen?

In een het arrest van 31 januari 2017  kwam deze vraag aan de orde. In deze zaak is de verdachte veroordeeld voor het medeplegen van het stelen van een sigarettenautomaat uit een bedrijfspand. Hij heeft daarvoor een gevangenisstraf van 10 weken gekregen, waarvan 4 voorwaardelijk en 2 jaar proeftijd. Dit alles terwijl blijkens de oriëntatiepunten 120 uur taakstraf geïndiceerd is. Blijkens de strafmotivering is het Hof op basis van de oriëntatiepunten tot deze straftoemeting gekomen. Daarbij heeft het Hof onder meer rekening gehouden met de doelgerichtheid waarmee de inbraak is gepleegd. Bij de inbraak is veel schade ontstaan waarbij de verdachte en de mededaders zich kennelijk hebben laten leiden door eigen winstbejag en tonen geen respect voor het eigendom van anderen. In cassatie is hiertegen geklaagd. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat straftoemeting beperkt kan worden getoetst in cassatie. Niettemin kan de Hoge Raad in gevallen waarin de feitenrechter de oriëntatiepunten uitlegt en/of toepast in cassatie toetsen of die uitleg en toepassing door de rechter begrijpelijk is. In dit geval is dat zo. De Hoge Raad oordeelt:

‘Kennelijk heeft het Hof de bij de strafoplegging betrokken omstandigheden dat de verdachte tezamen met anderen doelgericht de inbraak heeft gepleegd en dat daarbij aanzienlijke schade is ontstaan als “straf vermeerderende factoren” gezien op grond waarvan niet kon worden volstaan met een taakstraf en een gevangenisstraf passend en geboden was. Dit oordeel is, in het licht van hetgeen hiervoor onder 3.4.1 is vooropgesteld [de straf vermeerderende factoren, JB/MB], niet onbegrijpelijk. Het is ook toereikend gemotiveerd.’

Maar het kan ook anders. In het arrest van 13 september 2016 casseerde de Hoge Raad een motiveringsklacht omtrent de straftoemeting op basis van de richtlijnen namelijk wel. De verdachte in deze zaak is veroordeeld voor het opzettelijk invoeren van cocaïne in een shampoofles. Hiervoor is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeven maanden opgelegd. Het Hof heeft op basis van het bruto gewicht van de shampoofles van 766,2 gram de strafmaat bepaald. Voor 500 tot 1000 gram cocaïne is een strafmaat van 6 tot 8 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf geïndiceerd. Het Hof heeft daarbij geoordeeld dat sprake is van een mengsel van vloeistof en cocaïne en dat het brutogewicht waarin de cocaïne zich bevindt maatgevend is voor de strafmaat. Dat vindt de Hoge Raad onbegrijpelijk en wijst de zaak terug naar het Hof.

Deze zaken maken duidelijk dat een cassatieberoep tegen een strafmotivering – ook indien de straf binnen de wettelijke strafmaat blijft – niet bij voorbaat kansloos is. Indien de straftoemeting is ontleend aan richtlijnen maar op basis daarvan niet begrijpelijk is, heeft het Hof niettemin iets uit te leggen. Het helpt echter wel als de advocaat ook in feitelijke aanleg duidelijk ingaat op de LOVS-richtlijnen en waarom een dergelijke straf niet maatgevend zou moeten zijn.

Heb je vragen over straftoemeting in de praktijk of wil je verder spreken over het voorgaande? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

Geen reacties

Plaats een reactie