#172: To prove or not to prove

Zonder bewijs geen veroordeling. Het Wetboek van Strafvordering is glashelder. Het bewijs vormt de kern van ons strafvorderlijk stelsel. Artikel 339, lid 1, Sv bepaalt welke wettige bewijsmiddelen bestaan. Naast de eigen waarneming van de rechter zijn dat verklaringen van de verdachte, de getuige of de deskundige en schriftelijke bescheiden. Het tweede lid van artikel 339 Sv bepaalt verder dat ‘feiten of omstandigheden van algemeene bekendheid’ geen bewijs behoeven. Dat lijkt ook niet meer dan logisch. Het is een enorm voor de hand liggende bepaling. Want waarom zou er immers nog bewijs moeten worden geleverd voor het feit dat de lucht blauw is? Of voor het feit dat sneeuw wit is? Maar is het een feit van algemene bekendheid dat een jas met de opdruk “A.C.A.B.” beledigend is voor een agent? En is het algemeen bekend dat Aloë Capensis en Aloë Vera niet hetzelfde zijn? Wie bepaalt in dat geval wat algemene kennis is? Het antwoord op deze vraag bepaalt namelijk of het feit al dan niet bewezen moet worden.

In 2011 wees de Hoge Raad een arrest in de zaak die draaide om de afkorting A.C.A.B. op de achterkant van een jas. De afkorting staat voor All Cops Are Bastards. Het hof oordeelde dat de betekendis van deze afkorting als een feit van algemene bekendheid heeft te gelden.

Het hof overwoog onder meer: ‘Voorts heeft het hof vernomen dat het “googelen” van de afkorting “A.C.A.B.” in combinatie met “cop” een veelvoud (circa 190.000) aan treffers van internetsites geeft die verwijzen naar de betekenis “All Cops Are Bastards”. Nu onder een substantieel deel van het publiek bekend is dat een betekenis van de afkorting A.C.A.B. is: “All Cops Are Bastards”, heeft deze afkorting daarom als een feit van algemene bekendheid te gelden.’ Maar de Hoge Raad is het daar niet mee eens. De Hoge Raad overweegt dat geen rechtsregel de rechter ertoe dwingt een algemeen bekend gegeven bij het onderzoek op de terechtzitting ter sprake te brengen. Als het om een gegeven gaat waarvan het niet zonder meer duidelijk is of dat algemeen bekend is, moet dat wel. Uit de processen-verbaal van de zittingen in deze zaak blijkt echter niet dat de afkorting aan de orde is gekomen tijdens de behandeling van de zaak. Daarnaast heeft het hof zich buiten de terechtzitting om laten voorlichten over de afkorting, zo blijkt uit de overwegingen van het hof. De Hoge Raad oordeelde dat gegevens ‘die ieder van de rechtstreeks bij het geding betrokkenen geacht moet worden te kennen of die hij zonder noemenswaardige moeite uit algemeen toegankelijke bronnen kan achterhalen’ gegevens van algemene bekendheid zijn. En voor algemene ervaringsregels geldt overigens hetzelfde.

Onlangs oordeelde de Hoge Raad wederom over een zaak waarin de verdachte zich heeft verzet tegen een door het hof voor bewijs aangenomen feit van algemene bekendheid. In deze zaak draait het om de invoer van een pot met 30 capsules ‘Living bitters’ met als ingrediënt ‘Aloë Capensis’. Van belang is dat van alle soorten die behoren tot Aloë enkel Aloë Vera mag worden ingevoerd. In deze zaak heeft het hof geoordeeld dat het een feit van algemene bekendheid is dat Aloë Capensis niet hetzelfde is als Aloë Vera en dat het daarom niet mag worden ingevoerd. Ook in dit geval heeft het hof de bewijsvoering ontleend aan ‘bronnen op het internet die uit dien hoofde als algemeen bekend worden verondersteld althans in elk geval in de onderhavige procedure’. De Hoge Raad oordeelt in lijn met het vorige arrest dat het hof zich na de zitting via het internet heeft laten voorlichten en dat de gegevens niet ter zitting aan de orde zijn geweest. Om die reden is het oordeel van het hof niet zonder meer begrijpelijk en heeft de Hoge Raad gecasseerd.

Ons inziens tonen beide zaken het gevaar van het met te veel gemak aannemen dat sprake is van een feit van algemene bekendheid. In beide voorbeelden heeft het hof informatie die na een zoekslag op google naar voren is gekomen, aangenomen als algemeen bekende feiten. Maar duidt het feit dat google nodig is om iets te verifiëren er niet juist op dat geen sprake is van een feit van algemene bekendheid? De logische en juridisch juiste route is immers om dergelijke feiten ter zitting te bespreken zodat partijen zich er over kunnen uitlaten. Het lijkt er in deze zaken op dat google is gebruikt om achteraf – na de zitting – een bewijsprobleem te verhelpen.

Dat is het hof in beide zaken duur komen te staan. Ons inziens is dat terecht. Artikel 339, lid 2, Sv is niet bedoeld als vangnet om bewijsproblemen te verhelpen en achteraf nog even te googlen naar het bewijs. Het is enkel bedoeld om overbodig werk te voorkomen in die zin dat het overbodig is om voor iedereen duidelijke en kenbare feiten te bewijzen. Een bijdrage hierover met nog een aantal aardige voorbeelden uit de praktijk over hoe artikel 339, lid 2, Sv niet zou moeten worden toegepast en de gevaren ervan verscheen onlangs van de hand van prof. mr. H.J.B. Sackers.[1] Een mooie inspiratiebron voor de praktijk.

Wat is jouw ervaring? Worden ‘bewijsgaten’ in de praktijk gedicht door de overweging dat sprake is van een feit van algemene bekendheid? En is dat gelet op hetgeen aan de orde was tijdens de inhoudelijke behandeling dan een verrassing?

[1] Prof. mr. H.J.B. Sackers, ‘Het is van algemene bekendheid!’, TBS&H 1 (4), p. 133.

Geen reacties

Plaats een reactie