#295: De kroongetuige in fraudezaken?

Uit de media kennen we ‘de kroongetuige’ met name als belangrijke figuur die een rol speelt in strafzaken rondom de zware criminaliteit. De meeste mensen zullen de term in verband brengen met strafzaken rondom liquidaties in de onderwereld. Recent is tijdens het algemeen overleg van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid gesproken over de vraag of een dergelijke regeling ook toegepast zou moeten worden bij een verdenking van witwassen. Maar hoe zit het eigenlijk? En is verdere ontwikkeling hiervan wenselijk?

Lees verder

#294: Het leed is al geleden

Op 2 november 2018 vond het anti-corruptiecongres plaats van de Bijzonder Strafrecht Academie. Tijdens dit congres sprak onder andere professor Huisman, criminoloog bij de VU. Hij doet onderzoek naar de niet-juridische impact van strafrechtelijke onderzoeken en vervolgingen op verdachten in fraude onderzoeken. Deze niet juridische impact zou wat ons betreft echter wel degelijk juridische gevolgen moeten hebben.

Lees verder

#293: Een geslaagde ‘dappere poging’

Vorige week gingen we in op het onderwerp dat feitenrechters die een forse overschrijding van de redelijke termijn constateren het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaren. Dat is wat ons betreft een terecht signaal. De verdachte heeft simpelweg recht op een berechting binnen een redelijke termijn. Dat is een fundamenteel recht verankerd in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. De jurisprudentie van de Hoge Raad is op dit punt weinig daadkrachtig te noemen. Als het aan de Hoge Raad ligt leidt termijnoverschrijding niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Blijkens het arrest van 17 juni 2008 leidt dit enkel tot strafkorting. Het kan er echter wel toe leiden dat een veroordeling zonder oplegging van straf een uitkomst kan zijn.

Lees verder

#292: Wachten tot je een ons weegt

Artikel 6 EVRM geeft een verdachte het recht op een openbare zitting binnen een redelijke termijn. Overschrijding van de redelijke termijn wordt volgens jurisprudentie van de Hoge Raad in de regel gecompenseerd met strafvermindering. Het leidt niet tot niet-ontvankelijkheid, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Klare taal van de Hoge Raad, maar rechtbanken lijken zich niet altijd in dit oordeel van de Hoge Raad te kunnen vinden.

Lees verder

#291: Het EHRM tikt Nederland op de vingers

Recent is de in 1973 verfilmde bestseller uit 1968 ‘Papillon’ in een moderner jasje gestoken. Het verhaal gaat over de Franse Papi die het begaan van een moord in zijn schoenen geschoven krijgt en daarvoor wordt veroordeeld. Hij verlaat met vele andere gedetineerden Frankrijk en moet zijn straf uitzitten in het overzeese gebied Frans Guyana. Dat laat Papi zich echter niet zonder verzet gebeuren. Niet alleen de volhardendheid van Papi om zijn vrijheid terug te krijgen is opmerkelijk, dat geldt ook voor de erbarmelijke omstandigheden voor de gedetineerden. Maar dat zijn vervlogen tijden, toch?

Lees verder

#290: De informatiebeschikking misbruikt voor het strafrecht?

Het fiscale recht kent een ruime informatieverplichting. Op grond van artikel 47 AWR dient een belastingplichtige alle gegevens en inlichtingen te verstrekken die van belang kunnen zijn voor de belastingheffing te zijnen aanzien. Deze informatieverplichting in het fiscale recht kan nog wel eens botsen met het recht om te zwijgen in het strafrecht. Hierover schreven wij bijvoorbeeld ook in Vaklunch #112  en Vaklunch #209. Voorkomen dient te worden dat de fiscale informatieverplichting wordt gebruikt voor strafrechtelijke doeleinden. Dat geldt overigens ook vice versa. Zo schreven wij in Vaklunch #274 al over de omgekeerde situatie waarin het strafrecht werd misbruikt voor een fiscale zaak. In de uitspraak van 1 oktober 2018 van de rechtbank Gelderland lijkt het echter alsof het fiscale recht gebruikt wordt voor strafrechtelijke doeleinden. Gelukkig steekt de rechtbank daar een stokje voor.Lees verder

#289: Kun je ’t googlen?

Zonder bewijs geen veroordeling. Het Wetboek van Strafvordering is duidelijk; het bewijs vormt de kern van ons strafvorderlijk stelsel. Artikel 339, lid 1, Sv bepaalt welke wettige bewijsmiddelen bestaan. Naast de eigen waarneming van de rechter zijn dat verklaringen van de verdachte, de getuige of de deskundige en schriftelijke bescheiden. Het tweede lid van artikel 339 Sv bepaalt verder dat ‘feiten of omstandigheden van algemeene bekendheid’ geen bewijs behoeven. Dat lijkt ook niet meer dan logisch. Het is een enorm voor de hand liggende bepaling. Want waarom zou er immers nog bewijs moeten worden geleverd voor het feit dat de lucht blauw is? Of voor het feit dat sneeuw wit is? Maar wat ‘feiten van algemene bekendheid zijn’ is daarentegen niet altijd duidelijk. Deze vraag leidt dan ook tot de nodige jurisprudentie. Het arrest van de Hoge Raad van 10 juli 2018 brengen wij graag onder jullie aandacht.

Lees verder

#288: Wraken van de wrakingskamer

Indien feiten of omstandigheden zich voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden dan kan de verdediging of het Openbaar Ministerie een verzoek tot wraking indienen. Een aparte wrakingskamer beoordeelt dit verzoek. Tegen een beslissing van de wrakingskamer staat ex artikel 515, lid 5, Sv geen rechtsmiddel open. Recent heeft een beschikking van de wrakingskamer er echter toe geleid dat advocaat-generaal D.C.J. Aben beroep in cassatie in het belang der wet heeft ingesteld.

Lees verder

#287: Confirmation bias in het Nederlandse strafproces

Dat het strafvorderlijke stelsel vele uitdagingen kent voor de verdediging is na ruim vijf jaar Vaklunch.nl duidelijk naar voren gekomen. De advocaat heeft in het strafproces maar één taak en dat is het dienen van de belangen van zijn cliënt, de verdachte. In de praktijk blijkt dat niet altijd een eenvoudige of eerlijke strijd. Zeker nu het strafvorderlijk stelsel zo is ingericht dat de politie en andere opsporingsinstanties bepalen wat er in het dossier zit. Het dossier op basis waarvan de rechter na het onderzoek ter zitting dient te bepalen of het tenlastegelegde al dan niet bewezen kan worden verklaard. Hoewel het strafvorderlijk stelsel niet vereist dat de verdediging voorafgaand aan de zitting zijn visie met de rechter deelt, zijn er steeds meer advocaten die die vrijheid wel nemen in het belang van hun cliënt. Maar past dit nog wel bij een modern strafproces?

Lees verder

#286: Strafbare beïnvloeding

Vele advocaten zullen iedere rechtzoekende afraden om onvoorbereid aan een verhoor van autoriteiten mee te werken. Dat geldt niet alleen voor een verhoor van een verdachte, maar zeker ook voor het verhoor van een getuige. Dat heeft niet altijd te maken met vrees om ‘van kleur te verschieten’ en jezelf door je eigen verklaring van getuige naar verdachte te promoveren. Dat kan ook te maken hebben met een geheimhoudingsverplichting van de getuige. Die verplichting heeft de getuige te respecteren en een geheimhoudingsverplichting kan niet door iedere (opsporings-)autoriteit worden doorbroken. Ook kunnen bijvoorbeeld belangen van familieleden een rol spelen waardoor de afweging moet worden gemaakt om al dan niet een beroep op het verschoningsrecht te doen. Kortom, legio redenen voor een getuige om voorbereid aan een verhoor te starten. Maar hoe ver mag een advocaat gaan die een getuige voorbereidt?Lees verder