#316: Practise what you preach

De laatste jaren is de wijze waarop verdediging wordt gevoerd in strafzaken behoorlijk veranderd. Het aloude adagium ‘beroep je op je zwijgrecht’ is allang niet meer het gebruikelijke advies. Dat concludeerden wij ook in Vaklunch #84. Doordat meer waarde wordt gehecht aan het verhaal van de verdachte, wordt de verdediging vaak anders ingericht. De aanpak van de verdediging is in die zin gemoderniseerd. En hoewel de modernisering van het wetboek van Strafvordering bij de wetgever al jaren op de agenda staat, lijkt het Openbaar Ministerie achter te blijven in die modernisering. Het Openbaar Ministerie verlangt van verdachten transparant te zijn, maar heeft die werkwijze zichzelf niet eigen gemaakt. Althans, nog niet.Lees verder

#315: Another one bites the dust

In Vaklunch #227  schreven wij over de vrijspraak van oud Achmea bestuurder. In Vaklunch #251  schreven wij over het NS-debacles van het Openbaar Ministerie en sinds vorige week kan het Openbaar Ministerie nog twee debacles op het lijstje bijschrijven. Op donderdag  is Klaas Hummel volledig vrijgesproken door de rechtbank in Amsterdam en op vrijdag  is de voormalig KPMG-topman met medeverdachten volledig vrijgesproken. Alle vier de uitspraken gaan in belangrijke mate over het strafbare feit; valsheid in geschrifte. Wat kunnen wij leren van deze uitspraken?Lees verder

#314: Het strafrechtelijk beroepsverbod

Op basis van artikel 28 Wetboek van Strafrecht kan een beroepsverbod als bijkomende straf worden uitgesproken. Dat is een pittige straf. In de wetsgeschiedenis is daarom ook niets voor niets omschreven dat een beroepsverbod is bedoeld als een zware sanctie en dat het daarom niet lichtvaardig mag worden opgelegd. Met andere woorden, alleen als het ‘echt bont is gemaakt’ komt een dergelijke straf aan de orde. Maar wanneer heeft een verdachte het nu echt te bont gemaakt?Lees verder

#313: De werkelijkheid

“De werkelijkheid is slechts een illusie, zij het een heel hardnekkige.” Albert Einstein

Ondanks dat het bestaan van de waarheid of de werkelijkheid door vele filosofen, natuurkundigen en anderen in twijfel wordt getrokken, houden juristen graag vast aan wetten en juridische werkelijkheden. De grootste discussie over de juridische werkelijkheid ontstaat in het strafrecht vaak bij het delict valsheid in geschrifte. Van een intellectuele valsheid is namelijk sprake als de inhoud van een geschrift niet overeenstemt met de werkelijkheid. De rechter dient dan te toetsen wat die werkelijkheid is. In een conclusie van Advocaat-Generaal Hofstee van 12 maart 2019 is deze discussie aan de orde.

De zaak lag als volgt. Schippers die minerale oliën vervoeren verduisteren een deel van hun vracht en verkopen dit deel van hun lading aan de verdachte. De verdachte haalt samen met zijn vader deze lading op met een tankauto. Vervolgens wordt deze olie voor een gunstige prijs verkocht aan bedrijven. Daarvoor worden facturen opgemaakt. Deze facturen worden opgemaakt uit naam van twee bedrijven, te weten Wolles en Bos. Het Hof overweegt dat deze facturen vals zijn omdat deze bedrijven klaarblijkelijk zijn opgericht of gebruikt opdat de verdachte en zijn vader zich kunnen voordoen als bonafide verkopers, verbonden aan bedrijven die niet direct tot hen herleidbaar zijn.

De indiener van het middel stelt echter dat van een werkelijke leverancier en/of verkoper van de geleverde minerale olie sprake is en dat derhalve de intellectuele valsheid ten aanzien van de facturen ontbreekt. De Advocaat-Generaal wuift dit argument weg door aan te geven dat uit de bewijsvoering blijkt dat Wolles is opgericht om te doen voorkomen dat dit bedrijf de echte eigenaar was van de minerale olie en dat het bedrijf is dat deze olie legaal, met factuur en al, verkoopt aan afnemers, terwijl in werkelijkheid de olie is verduisterd en door de verdachte en zijn vader wordt geleverd. Hiertoe verwijst de Advocaat-Generaal naar de in bewijsmiddel 99 opgenomen verklaring van een medeverdachte die verklaart dat hij is overgehaald om een bedrijf te starten, hij heeft de olie nooit in bezit gehad, “de zoon” – de verdachte dus, AG – verkoopt de olie, etc. Daarmee verwerpt de Advocaat-Generaal het middel.

Wij vragen ons echter af of het oordeel van het Hof en van de advocaat-generaal juist is. Er wordt een vennootschap opgericht door A. Deze vennootschap verkoopt oliën aan derden en maakt hiervoor facturen op. Deze derden maken het geld ook over aan deze vennootschap. Hoewel de het arrest dit in het midden laat, kunnen wij ons voorstellen dat deze vennootschap ook belasting betaalt. Uit de verklaring van de medeverdachte kan worden opgemaakt dat deze vennootschap handelde voor een ander maar de olie nooit in haar bezit heeft gehad. Een tussenvennootschap aldus. De vraag is of deze werkwijze de facturen vals maakt? Maakt het verwerpelijke motief voor het oprichten van deze vennootschap nu dat deze vennootschap de oliën niet heeft verkocht?

Deze situatie doet ons denken aan de NS-zaak waarover wij schreven in Vaklunch #251. De rechtbank overwoog in deze zaak expliciet dat verwerpelijke motieven voor een juridische constructie nog niet betekent dat deze juridische werkelijkheid niet zou bestaan. Ook in deze zaak kan je je afvragen of juridisch gezien deze vennootschap de olie heeft verkocht. Het feit dat de betreffende vennootschap wellicht niet de feitelijke beschikkingsmacht over het goed heeft gehad betekent op voorhand nog niet dat zij het goed niet heeft verkocht. Ons inziens schiet de motivering van het Hof dus wel degelijk tekort. Het enkele feit dat de vennootschap is opgericht met een onheus motief betekent ons inziens niet dat zij niet de juridische levering heeft verricht. Uit de overweging van het Hof volgt ons inziens dus niet dat de facturen in strijd zijn met de juridische werkelijkheid. Dit doet uiteraard niet af aan de strafbare feiten die voordien hebben plaatsgevonden. Het is dus de vraag of het Openbaar Ministerie de ‘juiste’ strafbare feiten heeft vervolgd.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

#312: Uit een ander vaatje getapt

Tegen een advocaat die niet in het belang van zijn cliënt handelt kan een tuchtklacht worden ingediend bij de deken van de Orde van Advocaten. Voor officieren van justitie geldt dergelijk tuchtrecht niet. Wel kan worden geklaagd over het gedrag van een officier van justitie bij de Nationale ombudsman. De advocaten van Johan van Laarhoven hebben deze weg bewandeld. En met succes. De Nationale ombudsman heeft zich kritisch uitgelaten over het handelen van het Openbaar Ministerie deze specifieke zaak geuit in het rapport van 11 maart 2019.Lees verder

#311: De afroomboete

Vorige week schreven wij in Vaklunch #310 al over de financiële herstelmogelijkheden voor strafbare feiten. De mogelijkheden die worden gebruikt om geld te ontnemen zijn veelzijdig: zo bestaat de ontnemingsvordering, de verbeurdverklaring en de schadevergoeding.  Maar hoe zit het met de “afroomboete”? Mag de rechter een boete opleggen met als doel het wederrechtelijk verkregen voordeel af te romen? Voor het opleggen van een boete gelden immers andere regels dan voor het vaststellen van een ontnemingsmaatregel. In een conclusie van advocaat-generaal Bleichrodt wordt advies gegeven aan de Hoge Raad over  de vraag of een dergelijke afroomboete mag worden opgelegd.

Lees verder

#310: Mag ik even vangen?

Het strafrecht gaat niet enkel over de vraag of iemand in strijd met de wet heeft gehandeld en of dat verwijtbaar is. Steeds vaker gaat het strafrecht ook over de vraag hoe een strafbaar feit financieel hersteld kan worden. In een steeds internationaler strafrechtelijk landschap blijft het dan niet bij de vertrouwde Europese euro’s, maar gaat het ook om andere valuta. De mogelijkheden om wederrechtelijk verkregen vermogen af te pakken zijn veelzijdig. Zo kan bijvoorbeeld worden afgepakt via de ontnemingsprocedure. Maar constateerden we in Vaklunch #167 bijvoorbeeld dat wederrechtelijk verkregen vermogen soms ook via de route van verbeurdverklaring wordt afgepakt. Een andere optie is de schadevergoedingsmaatregel, waardoor een benadeelde partij een vordering krijgt op de veroordeelde. Maar hoe moet het bedrag in die schadevergoedingsmaatregel worden omschreven als andere valuta in het spel zijn?

Lees verder

#309: Op volle toeren

De witwasjurisprudentie blijft op volle toeren draaien. Ook deze week zijn er weer twee conclusies gepubliceerd waarin advocaat-generaal Bleichrodt concludeert in twee afzonderlijke witwaszaken. Kennelijk blijft dit juridische leerstuk een uitdagende aangelegenheid. Gelet hierop kan het geen kwaad om aandacht te blijven besteden aan dit soort zaken. Vandaag twee witwaslessen door middel deze conclusies van mr. F.W. Bleichrodt.Lees verder

#308: Vrijgesproken door het CBB

De jacht van het Openbaar Ministerie op facilitators is al jarenlang gaande. Daar waar inmiddels financiële instellingen onder het vergrootglas liggen, hebben accountants het ook flink te verduren (gehad). In de praktijk resulteerde dat in strafrechtelijke vervolging gevolgd door de officier van justitie ingediende tuchtklacht bij de accountantskamer. Soms wordt dit middel echter maar al te makkelijk ingezet. Het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBB) geeft het Openbaar Ministerie in de uitspraak van 29 januari 2019 een flinke tik op de vingers, omdat het onderzoek van het Openbaar Ministerie – dat ook ten grondslag ligt aan de tuchtklacht – vooringenomen en onzorgvuldig zou zijn.

Lees verder

#307: Inkeer, of niet?

In artikel 67n van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) is geregeld dat van een vrijwillige verbetering (inkeer) sprake is indien een belastingplichtige alsnog een juiste en volledige belastingaangifte doet, dan wel juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen verstrekt. Dat moet de belastingplichtige dan wel doen vóórdat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur met de juistheid of onvolledigheid bekend is of bekend zal worden. In dat geval kan een boete voor het doen van een onjuiste aangifte voorkomen worden of worden verminderd. In een recente zaak bij de rechtbank Gelderland is de vraag aan de orde of sprake is van een inkeer. De gemachtigde in deze zaak heeft drie brieven aan de Belastingdienst gestuurd om de inkeer te bewerkstelligen. De ontvangst van die brieven wordt echter betwist. Wat nu?

Lees verder