#421: Een zetje in de juiste richting

“Ik heb er geen actieve herinnering aan”. Op de een komt het over als een slap excuus, voor anderen is dit antwoord het enige juiste. Dat het geheugen feilbaar is weet iedereen die werkzaam is in de strafpraktijk maar al te goed. Toch wordt veel waarde gehecht aan getuigenverklaringen. Gelet daarop menen wij dat er dan ook gelegenheid moet worden geboden om die verklaringen goed te onderzoeken. Zoals wij in Vaklunch #413 al concludeerden is dat in het Nederlandse proces geen gegeven. Zelfs voor het horen van een belastende getuige moet het verzoek van de verdediging om deze getuige zelf te horen aan vele eisen voldoen. De eisen zijn neergelegd in het “spoorboekje” van het arrest van de Hoge Raad van 4 juli 2017. Maar zijn deze eisen wel EVRM-proof?

In het recente arrest Keskin tegen Nederland van 19 januari 2021 oordeelt het EHRM het niet bieden van gelegenheid om een getuige à charge te horen een schending van artikel 6 EVRM oplevert: “The Court takes this opportunity to reaffirm the general principles relating to the right of an accused to examine or have examined witnesses against him or her, as set out in paragraphs 44‑45 above, from which it follows that the interest of the defence in being able to have those witnesses examined in its presence must in principle be presumed (see also paragraph 60 above).” Met andere woorden: het recht op het horen van getuigen à charge staat voorop. Aldus zou het adagium moeten gelden dat een getuige à charge in beginsel moet worden gehoord, terwijl het Nederlandse uitgangspunt is om niet te horen tenzij aan de voorwaarden is voldaan.

In het arrest van 20 april 2021 gaat de Hoge Raad in op dit oordeel van het EHRM. De Hoge Raad oordeelt dat deze uitspraak van het EHRM niet afdoet aan de eis die in de rechtspraak van de Hoge Raad wordt gesteld dat als de verdediging een getuige wenst te ondervragen, zij hiertoe het nodige initiatief neemt. De Hoge Raad onderkent wel een onderscheid tussen het verzoek om getuigen à charge en getuigen à décharge te horen. De Hoge Raad oordeelt in lijn met het arrest van het EHRM in de zaak Keskin dat in de gevallen waarin het belang bij het oproepen en horen van een getuige moet worden voorondersteld, zo’n verzoek niet mag worden afgewezen op de enkele grond dat het verzoek niet of niet naar behoren is onderbouwd. Het gaat dan om getuigen à charge; het belang is volgens de Hoge Raad namelijk gegeven indien “het verzoek betrekking heeft op een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige al – in het vooronderzoek of anderszins – een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking. Het gaat dan om een verklaring die door de rechter voor het bewijs van het tenlastegelegde feit zou kunnen worden gebruikt of al is gebruikt. Daarvan is in ieder geval sprake als de rechter in eerste aanleg een verklaring van een getuige voor het bewijs heeft gebruikt, en de verdediging in hoger beroep het verzoek doet deze getuige op te roepen en te (doen) horen.”

De Hoge Raad maakt overigens ook duidelijk dat het horen van de getuige à charge geen absoluut recht is. Het verzoek kan alsnog worden afgewezen indien het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter zitting zal verschijnen, gezondheidsredenen of het welzijn van de getuige een ondervraging niet toelaten of als het horen van de getuige “onmiskenbaar irrelevant of overbodig” is. De Hoge Raad laat de kans niet onbenut op te merken dat de verdediging er baat bij kan hebben toch een uitgebreidere toelichting op het verzoek een getuige te horen te geven, om toe te lichten waarom een van deze afwijzingsgronden niet aan de orde is.

Ons inziens was de lijn van de Hoge Raad rondom het horen van getuigen niet langer houdbaar. Het is goed om te zien dat de Hoge Raad snel na het wijzen van arrest door het EHRM daarop actie heeft ondernomen. Het blijft (mede) aan de verdediging om alert te blijven op het naleven van deze rechten ex artikel 6 EVRM, maar met deze arresten in de hand zal dat in de praktijk minder discussie gaan opleveren.

Deze ontwikkeling laat ons inziens ook zien dat de Hoge Raad – en in sommige gevallen ook feitenrechters – er goed aan doen de meer restrictieve uitleg van verdedigingsrechten ex artikel 6 EVRM achter zich te laten. Dat betekent dat een onderzoek soms langer kan duren doordat nadere onderzoekshandelingen moeten worden verricht. Maar dat levert mogelijk op een later moment juist tijdswinst op, doordat eventuele terug(ver)wijzing(en) naar de feitenrechter niet meer nodig zijn.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl. Uiteraard is het ook mogelijk om over dit onderwerp te praten in een digitale Vaklunch on demand.

Geen reacties

Plaats een reactie