#624: Witwasindicatoren als startpunt, geen sluitstuk
De witwasindicatoren houden de gemoederen nog altijd bezig. Wij schreven hier al eerder over in Vaklunch #369, #575 en #615. Onlangs heeft de rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in drie samenhangende zaken, waarin enerzijds het Openbaar Ministerie op bepaalde punten heeft nagelaten nader onderzoek te verrichten en anderzijds aanknopingspunten voor onderzoek door moeizame rechtshulprelaties feitelijk niet konden worden uitgewerkt.[1] De uitspraken bieden een duidelijke boodschap: het OM kan niet volstaan met het enkel schetsen van een verdacht decor met behulp van de witwasindicatoren als verdachte een voldoende concreet en verifieerbare verklaring heeft gegeven. Het OM moet ten minste gemotiveerd aantonen waarom de door de verdediging aangedragen alternatieve, legale herkomst niet aannemelijk is.
Het herkenbare patroon aan de hand van de witwasindicatoren
In de betreffende zaken sprak de rechtbank drie Nederlandse vennootschappen vrij van de beschuldiging dat zij gezamenlijk zo’n 24 miljoen euro zouden hebben witgewassen. Het OM stelde een herkenbaar patroon centraal: de betrokkenheid van een tot gewoontewitwassen veroordeelde persoon (persoon B), het gebruik van offshore-vennootschappen, circulaire leningen en snelle doorboekingen. Hoewel het OM ook de veroordeling van persoon A in Rusland wegens verduistering als een belangrijke indicator aanmerkt, laat de rechtbank deze veroordeling buiten beschouwing bij de beoordeling of sprake is van een vermoeden van een criminele herkomst voor onderhavige zaak. De reden hiervoor ligt besloten in het feit dat de rechtsstaat in Rusland onder druk staat en het strafrecht daar vaak voor politieke doeleinden wordt gebruikt. De rechtbank acht deze veroordeling daarom geen betrouwbare basis voor strafrechtelijke conclusies in Nederland.
Het verdachte decor houdt geen stand bij de rechtbank
De andere genoemde aanwijzingen vormen wel een plausibel uitgangspunt voor een vermoeden van witwassen. Maar de rechtbank hanteerde het door de Hoge Raad uitgestippelde stappenplan: nadat het OM een vermoeden had gewekt, lag het op de weg van de verdachten om een “concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke” verklaring te geven. Die verklaring kwam er in de vorm van uitgebreide documentatie over contant geleende gelden van twee Russische ondernemers (persoon C en D) en het betoog dat persoon A slechts als praktische facilitator fungeerde. Volgens de rechtbank was deze verklaring niet hoogst onwaarschijnlijk, nu deze was onderbouwd met relevante bankstukken. Bovendien was de verklaring voldoende concreet en verifieerbaar, in de zin dat deze gedetailleerd beschrijft waar het geld vandaan is gekomen en ook duidelijke aanknopingspunten biedt voor nader onderzoek. Het OM moest aantonen dat deze uitleg niet kon kloppen, maar heeft deze duidelijke aanknopingspunten voor nader onderzoek niet uitgeput. Zo heeft het OM vastgesteld dat de gelden afkomstig waren van een tweetal bedrijven, maar is vervolgens niet nagegaan waar deze bedrijven de gelden vandaan hadden. Daarnaast konden twee sleutelfiguren in Rusland en in de Verenigde Arabische Emiraten niet gehoord worden, omdat Nederland met beide landen een zeer moeizame rechtshulprelatie heeft. Daarmee kwam de rechtbank uiteindelijk tot het oordeel dat niet met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de geldbedragen een legale herkomst hadden. Wat ons betreft volledig terecht.
Conclusie
Opmerkelijk is hoe de rechtbank de veelgebruikte “typologische” argumenten relativeert. Het bestaan van offshore-entiteiten, ingewikkelde leningen en tussenrekeningen wordt erkend als indicatie, maar zodra de verdachte een degelijk onderbouwd alternatief biedt, zijn zulke indicatoren onvoldoende. Met andere woorden: witwasindicatoren zijn een startpunt, geen sluitstuk. De uitspraken illustreren te meer hoe cruciaal een proactieve proceshouding is. Een tijdige, gedetailleerde onderbouwing van de legale herkomst van gelden kan de bewijsdrempel voor het OM aanzienlijk verhogen. Tegelijk toont het aan dat de verdediging scherp moet waken voor het procesrechtelijke gevolg van toepassing van de witwasindicatoren: de wet verlangt niet dat een verdachte zijn onschuld “bewijst”, slechts dat zijn verklaring voldoende concreet, toetsbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. De rechtbank heeft in ieder geval het volgende duidelijk gemaakt: het feit dat nader onderzoek op belangrijke punten niet of onvolledig heeft plaatsgevonden, dan wel onmogelijk is gebleken, kan niet de verdachten worden aangerekend.
Heb je hier vragen over of wil je hierover van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact met ons op via [email protected].
[1] Rb Rotterdam 3 april 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:4800, ECLI:NL:RBROT:2025:4899 en ECLI:NL:RBROT:2025:4903.

No Comments