#398: Een wijze les

Met de inzet van het strafrecht moet prudent worden omgegaan. Dit uitgangspunt zullen alle betrokken partijen – het Openbaar Ministerie, de verdediging, de rechterlijke macht – beamen. Dit is niet voor niets. De inzet van het strafrecht kan grote gevolgen hebben voor de verdachten. Zeker indien berichtgeving over een strafrechtelijke verdenking de media bereikt. Hoewel het Openbaar Ministerie niet blij zal zijn met een vrijspraak in een zaak waarin hoog van de toren is geblazen over hoe verwijtbaar de verdachte wel niet heeft gehandeld, zijn het de betrokken verdachten die de effecten van die situatie dagelijks voelen. De NS-zaak die breed is uitgemeten in de pers maakt dat pijnlijk duidelijk. Het Openbaar Ministerie trekt het hoger beroep in de strafzaak in. Daarmee kunnen de betrokkenen dit hoofdstuk afsluiten. Maar de schade van de jarenlange druk van deze verdenking zal niet meer ongedaan kunnen worden gemaakt.

Tijdens de zitting in 2017 werden fikse straffen geëist in de NS-zaak; gevangenisstraffen tot 12 maanden, taakstraffen en geldboetes. De verdachten hadden zich volgens het Openbaar Ministerie schuldig gemaakt aan het valselijk opmaken van overeenkomsten, het bekendmaken van bedrijfsgeheimen en niet-ambtelijke omkoping. Vlak voor het kerstreces sprak de Rechtbank Oost-Brabant op 21 december 2017 zes verdachten en het bedrijf NS vrij van omkoping en valsheid in geschrifte. De rechtbank verklaarde het OM niet-ontvankelijk ten aanzien van schending van de geheimhoudingsplicht.

In Vaklunch #251 hebben wij de vrijspraak van de valsheid in geschrifte nader onder de loep genomen. Op basis van de beslissing van de rechtbank concludeerden wij dat het steeds van belang is om te beoordelen of een document in strijd is met de waarheid om te kunnen spreken van een vals document. Wij schreven toen: “ De eventueel verwerpelijke motieven ten behoeve waarvan de juridische structuur tot stand is gekomen hebben daar geen invloed op. Wellicht dat het Openbaar Ministerie zich hier ook rekenschap van kan geven zodat in het vervolg iets minder hoog van de toren wordt geblazen en reputatieschade wordt voorkomen.”

Inmiddels heeft het Openbaar Ministerie dus bekend gemaakt het hoger beroep tegen deze beslissing in te trekken. In het nieuwsbericht daarover schrijft het Openbaar Ministerie: De twee aanklagers in hoger beroep, de advocaten-generaal, hebben uitgebreid gekeken naar deze ingewikkelde zaak. Met inachtneming van alle feiten en omstandigheden trekken zij de conclusie dat een procedure in hoger beroep uiteindelijk niet de weg is die het OM moet gaan bewandelen. Dit omdat de feiten waarvan de meeste mannen worden verdacht niet bewijsbaar worden geacht.”

Daaraan voegt het Openbaar Ministerie nog de volgende zin toe: “Daarnaast is het zo dat betrokkenen, op basis van hun handelen en hun positie, al zodanige gevolgen hebben ondervonden dat het doorzetten van het hoger beroep niet opportuun is.” Dat kan zo gelezen worden dat het Openbaar Ministerie meent dat het feit dat de betrokkenen via de gevolgen al gestraft zijn, een rol speelt in die beslissing. Het had het Openbaar Ministerie gesierd als duidelijker was gemaakt dat dat niet het geval is, maar dat de betrokkenen onterecht onder deze gevolgen hebben geleden.

Beroepshalve is ons bekend hoe groot de impact van een strafzaak op betrokkenen kan zijn. Uit de krantenartikelen rondom de vele zittingsdagen eind 2017 wordt ook duidelijk hoezeer dat in deze zaak het geval is. Een van de betrokkenen heeft aan de rechter toegelicht alles kwijt te zijn geraakt. Zijn huwelijk, zijn baan, zijn huis, zijn auto. Helaas komt de zelfreflectie van het Openbaar Ministerie voor deze betrokkene te laat.

In Vaklunch #380 schreven wij al dat het in de praktijk vaak een onmogelijke opgave lijkt om het Openbaar Ministerie te laten inzien dat een onderzoek moet worden gestopt. De onderzoekstrein van het Openbaar Ministerie en opsporingsinstanties dendert in de regel altijd door in de richting van het eindstation: de openbare zitting. Met alle gevolgen van dien. Het blijft aan de verdediging om met het Openbaar Ministerie in overleg te raken om zaken die niet op een openbare zitting thuishoren te stoppen. Hoe moeilijk dat in de praktijk soms ook is: het blijft ook aan het Openbaar Ministerie om de ogen niet te sluiten voor de effecten van zo’n procedure op de betrokkenen.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl. Uiteraard is het ook mogelijk om over dit onderwerp te praten in een digitale Vaklunch on demand.

 

Geen reacties

Plaats een reactie