#033: Rechtsbescherming verdachte nog geloofwaardig?

Op 19 september jl. hebben minister Opstelten en Staatssecretaris Teeven van Veiligheid en Justitie het wetsvoorstel ‘Dadelijke tenuitvoerlegging’ naar verschillende instanties gestuurd voor advies. Opstelten en Teeven stellen voor om verdachten, die door de rechtbank tot ten minste één jaar gevangenisstraf zijn veroordeeld, direct hun straf te laten ondergaan, ook indien hoger beroep is aangetekend. Deze verdachten komen dus niet op vrije voeten in afwachting van hoger beroep en zitten derhalve een straf uit waarvan nog niet vaststaat of deze opgelegde straf standhoudt. Het wetsvoorstel wordt fel bekritiseerd, want wat blijft er nog over van de onschuldpresumptie en de rechtsbescherming van de verdachte?!

Opstelten en Teeven menen dat het voor de geloofwaardigheid van het strafrecht van groot belang dis dat een strafrechtelijke beslissing zo snel mogelijk wordt uitgevoerd. Onder de vigerende wetgeving gebeurt dat pas nadat het vonnis onherroepelijk is geworden. Strafrecht moet volgens Opstelten en Teeven herkenbaar zijn, krachtig en op maat. Dit vereist dat zaken correct en tijdig worden afgehandeld en dat straffen daadwerkelijk ten uitvoer worden gelegd. Bij de keuze voor de dadelijke tenuitvoerlegging worden volgens de Memorie van Toelichting twee factoren zwaar meegewogen: i) de belangen van slachtoffers en nabestaanden van misdrijven en ii) het belang van de samenleving bij straffen die ook daadwerkelijk worden uitgevoerd. Voorgesteld wordt om dadelijke tenuitvoerlegging mogelijk te maken indien ten minste één jaar gevangenisstraf is opgelegd en er een slachtoffer is of als ten minste twee jaar gevangenisstraf is opgelegd.

Het komt regelmatig voor dat een veroordeelde pas jaren na zijn veroordeling zijn straf uitzit. Veroordeelden blijken dan soms onvindbaar als de executie van de straf te lang op zich laat wachten. Dit alles leidt volgens Opstelten en Teeven regelmatig tot onbegrip en frustratie bij slachtoffers en nabestaanden. Ook zou het slecht zijn voor het vertrouwen in de strafrechtketen. Daarom is de inzet dat elke straf die de rechter oplegt, ook daadwerkelijk ten uitvoer moet worden gelegd. Cijfers laten beide heren gemakshalve achterwege.

Enige moeite om de geloofwaardigheid van de rechtsbescherming van de verdachte te redden wordt door Opstelen en Teeven niet ondernomen, althans niet echt. Opstelten en Teeven lijken zich te realiseren dat de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf niet kan worden teruggedraaid als na een eerste veroordeling later in hoger beroep toch vrijspraak volgt. Daarom voorziet het wetsvoorstel ook in een regeling voor de vergoeding van schade van (achteraf) ten onrechte ondergane detentie. Daar wordt nog aan toegevoegd dat over het algemeen een opgelegde straf in eerste aanleg wordt bevestigd in hoger beroep. De Memorie van Toelichting noemt wederom geen cijfers. En is elke onterecht gedetineerde niet één teveel? En een schadevergoeding kan toch nooit in verhouding staan tot de schade die de onterecht gedetineerde heeft opgelopen? Niet alleen emotionele schade van het onterecht vastzitten, maar ook eventuele reputatieschade zal door een vergoeding niet kunnen worden gerepareerd. Laat staan de schade die naasten van de onterecht gedetineerden oplopen.

In de Memorie van Toelichting wordt aandacht besteed aan de verhouding tussen de dadelijke tenuitvoerlegging en de onschuldpresumptie van artikel 6 EVRM. Daarbij wordt aansluiting gevonden bij het arrest Västberga Taxi Aktiebolag en Vulic v. Zweden (23 juli 2002). In paragraaf 118 kwam het EHRM tot de conclusie dat geen sprake was van schending van de onschuldpresumptie ten aanzien van de inning van fiscale boetes voordat een rechter de schuldigverklaring had uitgesproken. In de memorie van toelichting wordt opgemerkt dat op basis van deze uitspraken wel terughoudendheid wordt voorgestaan als ook het maken van een belangenafweging. Daar waar het EHRM ten aanzien van de betaling van boetes meent dat ‘the early enforcement of tax surcharges may have serious implications for the person concerned and may adversely affect his or her defence in the subsequent court proceedings’, staat een vroege ten uitvoerlegging van een gevangenisstraf staat ons inziens niet in verhouding tot de betaling van een boete.

In de Memorie van Toelichting wordt nog opgemerkt dat de voorgestelde dadelijke tenuitvoerlegging een uitzondering zal vormen op de hoofdregel van artikel 557 Sv, maar gelet op het aantal zaken waarop de voorgestelde regeling betrekking heeft, zou kunnen worden geconcludeerd dat het om een maatregel van beperkte omvang gaat. Volgens de Memorie van Toelichting wordt op die manier aan het door het EHRM gestelde vereiste van terughoudendheid recht gedaan. Ons inziens kan het feit dat de regeling – volgens de Memorie van Toelichting – een ‘beperkt aantal gevallen’ raakt de toets der kritiek niet doorstaan. Strafoplegging en uitvoering blijft maatwerk. In iedere situatie moet aldus een afweging worden gemaakt voor dat specifieke geval.

De mogelijkheid om een straf dadelijk ten uitvoer te kunnen leggen, ondanks de mogelijkheid om deze op te schorten of te schorsen (bijvoorbeeld in verband met zwaarwegende persoonlijke omstandigheden van de verdachte), voorkomt niet dat dit wetsvoorstel ons inziens een slippery slope creëert. Deze wet zal naar verwachting gepaard gaan met het verworden tot regel in plaats van uitzondering, net zoals de toepassing van voorlopige hechtenis een diep gewortelde (slechte) gewoonte1 is geworden onder het mom better be safe than sorry.

Wij zijn benieuwd naar jouw mening over het wetsvoorstel. Biedt het wetsvoorstel nog wel voldoende rechtsbescherming? En kan het volgens jou de toets van artikel 6 EVRM doorstaan?

1 Mr. Y. Buruma, ‘Onschuldig gedetineerd’, NJB 2013, nr. 30, p. 2129.

Geen reacties

Plaats een reactie