#663 Wanverhouding tussen beslagwaarde en ontnemingsmaatregel

Op 10 maart 2026 wees de Strafkamer van de Hoge Raad beschikking in een kwestie over de mogelijke wanverhouding tussen de waarde van inbeslaggenomen voorwerpen en de te verwachten hoogte van een eventueel op te leggen ontnemingsmaatregel. In het bijzonder ging de Hoge Raad in op de onderzoekstaak van de beklagrechter en de hiermee samenhangende plicht om zich te laten informeren.

In deze zaak was bij klagers strafvorderlijk beslag gelegd ter waarde van – volgens klagers – zo’n € 170 miljoen. Het wederrechtelijk verkregen voordeel was door de FIOD vastgesteld op zo’n € 137 miljoen. De verdediging voerde echter gemotiveerd aan dat een correctie moest plaatsvinden op het door de FIOD berekende wederrechtelijk verkregen voordeel. Een deel hiervan betrof volgens de verdediging namelijk legaal behaalde omzet uit het buitenland en overige legale inkomsten. Gelet op het verschil tussen de waarde van het beslag en de omvang van de gecorrigeerde eventuele ontnemingsmaatregel (dit verschil zou uitkomen op circa € 41 miljoen) stelde de verdediging zich op het standpunt dat sprake was van overbeslag en dat het beslag in zoverre in strijd was met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

De beklagrechter die over deze kwestie moest beslissen wees erop dat de beoordeling van een beklag in de zin van artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dit houdt in dat een beklagrechter zich niet inhoudelijk dient te mengen in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure. De beklagrechter stelde vast dat zij net als het Openbaar Ministerie niet beschikte over de stukken die nodig zijn om een oordeel te kunnen vormen over de waarde van het gelegde beslag. De stukken die de verdediging in dat kader had overlegd vond de beklagrechter onvoldoende. De beklagrechter achtte het onverenigbaar met het summiere karakter van de beslagprocedure om inhoudelijk te reageren op de berekeningen van de verdediging. Zodoende kon de beklagrechter niet vaststellen dat sprake was van overbeslag, met als gevolg dat het gelegde beslag niet in strijd met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit werd bevonden. Daarmee werd het beklag ongegrond verklaard.

De Hoge Raad maakt korte metten met de wijze waarop de beklagrechter deze zaak heeft afgedaan. Hierbij baseert de Hoge Raad zich op eerdere rechtspraak. Hoewel het uitgangspunt is dat een beklagrechter niet verplicht is om ambtshalve te onderzoeken of het beslag voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, kan de beklagrechter wél gehouden zijn om zo’n onderzoek te doen (i) indien de klager aanvoert dat zijn persoonlijke belangen bij de opheffing van het beslag zwaarder moeten wegen dan het strafvorderlijk belang, of (ii) indien de klager aanvoert dat geen redelijke verhouding bestaat tussen de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen en de te verwachten hoogte van de eventuele betalingsverplichtingen. Of van één van beide uitzonderingsgevallen sprake is, hangt af van de concrete onderbouwing en de ‘indringendheid’ van de door de verdediging aangevoerde argumenten.

Ook de eisen die in zo’n geval moeten worden gesteld aan de motivering van de beslissing van de beklagrechter zijn afhankelijk van de argumenten die klager aanvoert. Verder dient te worden gekeken naar wat het Openbaar Ministerie hier tegenin brengt en speelt het tijdsverloop volgens de Hoge Raad nog een rol: naarmate meer tijd is verstreken kan meer gewicht toekomen aan de persoonlijke belangen van de klager bij de opheffing van het beslag. Gelet op voorgaande mag van het Openbaar Ministerie worden verwacht dat het in de beklagprocedure voor zover mogelijk (met het oog op de fase waarin de zaak zich bevindt) informatie verschaft over het beslag en over de onderliggende strafzaak of ontnemingsprocedure. De Hoge Raad wijst er verder op dat de onderzoekstaak van de beklagrechter met zich meebrengt dat deze zich nader laat informeren indien hij over onvoldoende gegevens beschikt voor de beoordeling van een klaagschrift. Hierbij wijst de Hoge Raad nog op de mogelijkheid van de beklagrechter om het Openbaar Ministerie te bevelen stukken te overleggen (op grond van artikel 23 lid 1 Sv). Laat het Openbaar Ministerie dit vervolgens na, dan kan de beklagrechter die omstandigheid meenemen bij de beoordeling van het klaagschrift.

De Hoge Raad oordeelt vervolgens dat de beklagrechter concreet blijk had moeten geven van een onderzoek naar de proportionaliteit en subsidiariteit van het gelegde beslag. Door te oordelen dat het summiere karakter van de beslagprocedure in de weg staat aan een onderzoek naar een eventuele wanverhouding bij het gelegde beslag, heeft de beklagrechter volgens de Hoge Raad het hiervoor geschetste juridisch kader miskend. De zaak wordt door de Hoge Raad dan ook terugverwezen naar de beklagrechter, die deze kwestie opnieuw zal moeten behandelen.

Wat ons betreft is het een goede zaak dat de Hoge Raad nog eens verduidelijkt onder welke omstandigheden de beklagrechter een actieve onderzoeksplicht heeft naar de proportionaliteit en subsidiariteit van een gelegd beslag. Deze beschikking onderstreept dat het summiere karakter van de beklagprocedure niet zonder meer in de weg staat aan een dergelijk onderzoek. De beklagrechter dient bij een gemotiveerd beroep op overbeslag ‘concreet’ blijk te geven van zijn onderzoek – en kan dus niet volstaan met de enkele overweging dat de proportionaliteit en subsidiariteit is getoetst. Voor de praktijk betekent dit dat een gedegen onderbouwing van het klaagschrift essentieel blijft. De kwaliteit van de argumentatie kan immers het verschil maken tussen wel of geen onderzoeksplicht, en daarmee tussen een gegrond of ongegrond klaagschrift.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen? Neem dan contact op via [email protected].

No Comments

Post a Comment