#330: Wanneer is de getuige verschenen?

Om het ondervragingsrecht ex artikel 6 EVRM te effectueren wordt van de verdediging verlangd dat deze actief verzoekt om het horen van een specifieke getuige. Ook dienen deze verzoeken steeds zorgvuldig te worden onderbouwd. Verder is het moment van het verzoek om een getuige te horen van belang. Het moment is van belang om te bepalen of het verzoek om de getuige te horen, de toets van het verdedigingsbelang dan wel het noodzakelijkheidscriterium kan doorstaan. Hoe zit dat ook alweer met de ter zitting verschenen getuige?

In beginsel dient het verzoek een getuige te horen te worden getoetst aan het verdedigingsbelang. Dat is anders indien het verzoek pas ter zitting wordt gedaan. Dan is het noodzakelijkheidscriterium van toepassing. Die toets is zwaarder dan de toets van het verdedigingsbelang. Echter, als de getuige die de verdediging – of het Openbaar Ministerie – wil horen ter zitting verschijnt, moet het verzoek worden beoordeeld aan de hand van het verdedigingsbelang. De kans dat het verzoek om een  getuige te horen wordt toegewezen is dus groter wanneer deze getuige ter zitting is verschenen.

De vraag is dan wel wanneer de getuige als ‘ter zitting verschenen’ kan worden aangemerkt. Dit lijkt een eenvoudige vraag, maar de praktijk is weerbarstiger. In het arrest van 9 juli 2019 oordeelde de Hoge Raad (onder meer) over deze vraag. In deze zaak verzocht de verdediging om een verbalisant te horen als getuige. Deze verbalisant zat tijdens de zitting op de gang op een bankje te wachten, dit was door de bode bij de aanvang van de zitting medegedeeld. De verdediging heeft daarop verzocht om een beslissing te nemen op de onderzoekswensen van de verdediging, waaronder het horen van de betreffende verbalisant als getuige. Daarover zegt de advocaat-generaal: “(…) Evenmin zag ik de noodzaak om de verbalisanten ter zitting als getuigen op te roepen. Desalniettemin heb ik [verbalisant 1] gevraagd om, indien hij ruimte had in zijn agenda, vandaag te verschijnen, nu de kans bestaat dat uw hof het verzoek hem als getuige te horen toewijst. (…)”.

Het verzoek de verbalisant te horen is met toepassing van het noodzakelijkheidscriterium afgewezen. In cassatie is daartegen geklaagd. Het standpunt is ingenomen dat het verdedigingsbeginsel van toepassing is nu sprake is van een ‘ter zitting verschenen getuige’. De Hoge Raad gaat daar niet in mee. De Hoge Raad oordeelt dat op basis van artikel 287 lid 1 en 2 Sv enkel van een ter zitting verschenen getuige sprake is indien deze persoon op initiatief van de verdediging of het Openbaar Ministerie bij de aanvang van de (nadere) terechtzitting aanwezig is en door de verdediging of het Openbaar Ministerie bij aanvang van die zitting wordt meegedeeld dat zij deze persoon heeft meegebracht om gehoord te worden en dat deze persoon zich daartoe bereid heeft verklaard.

Net als advocaat-generaal mr. Spronken menen wij dat dit oordeel wel erg formalistisch is. Uit de gang van zaken blijkt immers overduidelijk dat het Openbaar Ministerie deze getuige had meegenomen om ter zitting gehoord te worden. Het feit dat de verbalisant in de gang op een bankje zat laat ook zien dat hij bereid was om te getuigen. Deze uitspraak laat maar weer eens zien dat het adagium substance over form in het strafrecht nog niet is doorgedrongen. De Hoge Raad dwingt procespartijen de voorgeschreven vorm te hanteren. Een harde les.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl. Uiteraard is het ook mogelijk om over dit onderwerp te praten in een Vaklunch on demand bij jou op kantoor.

Geen reacties

Plaats een reactie