#235: Vertrouwen op het Openbaar Ministerie

Op grond van artikel 262 van het Wetboek van Strafvordering kan een verdachte binnen 8 dagen na betekening van de dagvaarding daartegen bezwaar maken. Deze procedure biedt een waarborg voor de verdachte tegen een nodeloze openbare terechtzitting. De raadkamer dient achter gesloten deuren te toetsen of het ‘hoogst onaannemelijk is dat de strafrechter, later oordelend, door de voor hem geleverde bewijsvoering het ten laste gelegde feit geheel of gedeeltelijk bewezen zal achten’. Een zware toetst aldus. Reden te meer om successen op dit vlak te delen.

De raadkamer van de Rechtbank Rotterdam heeft op 23 augustus 2017 het bezwaarschrift tegen de dagvaarding van een verdachte gegrond verklaard en de betreffende verdachte buiten vervolging gesteld voor het primair en subsidiair ten laste gelegde. In deze zaak is de verdachte gedagvaard in verband met een verkeersongeval. Primair wordt aan hem ten laste gelegd poging doodslag, subsidiair zware mishandeling en meer subsidiair een overtreding van de Wegenverkeerswet. De verdediging stelt zich op het standpunt dat door de officier van justitie schriftelijk is toegezegd om de verdachte enkel te vervolgen voor een overtreding van de Wegenverkeerswet.

De verdediging meent dat het ten laste leggen van de poging doodslag en zware mishandeling heeft plaatsgevonden op verzoek van de benadeelde (een politieman) en ter voorkoming van een zogenaamde artikel 12-procedure waarin de politieman alsnog kan verzoeken om vervolging voor de poging doodslag en zware mishandeling. Het Openbaar Ministerie stelt echter dat het wel degelijk een eigen vervolgingsbeslissing heeft genomen en dat de verdediging geen vertrouwen mocht ontlenen aan de vermeende toezeggingen. Immers zou niet zijn gezegd dat niet gedagvaard zou worden voor de opzetdelicten. De uiteindelijk dagvaarding behelst volgens de officier van justitie pas de officiële vervolgingsbeslissing van het Openbaar Ministerie waaraan vertrouwen mag worden ontleend..

De Rechtbank oordeelt dat gelet op de gevoerde correspondentie de verdachte mocht verwachten dat hij ter zake van het  verkeersongeval zou worden vervolgd voor overtreding van de Wegenverkeerswet. De communicatie laat geen ruimte waarin een voorbehoud is gemaakt ten aanzien van de vervolgingsbeslissing. Het standpunt van de officier van justitie dat de grondslag van de vervolging pas door het uitbrengen van dagvaarding bindend wordt, wordt niet gevolgd door de rechtbank, nu dit geen steun vindt in het recht. Een verdachte mag dus ook vertrouwen op uitlatingen van het Openbaar Ministerie in het voordeel van de verdachte die zijn gedaan voor het uitbrengen van de dagvaarding. Ons inziens is dat geheel terecht.

Deze uitspraak toont aan dat het kan lonen om in een vroeg stadium met de officier van justitie in gesprek te treden over de vervolgingsbeslissing. Het is dan wel van belang om de communicatie goed vast te leggen. Al is het maar voor de bewijspositie in een dergelijke bezwaarschriftprocedure.

Heb je vragen of wil je van gedachten wisselen over het voorgaande neem dan contact met ons op via boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

Geen reacties

Plaats een reactie