#658: Verstrekkende verstrekkingen door het OM
De Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens bevat voorschriften voor de verwerking van (met name) justitiële gegevens en strafvorderlijke gegevens. Justitiële gegevens zijn persoonsgegevens of gegevens over een rechtspersoon inzake de toepassing van het strafrecht of de strafvordering (bijvoorbeeld een veroordeling of een sepotbeslissing). Strafvorderlijke gegevens zijn persoonsgegevens of gegevens over een rechtspersoon die zijn verkregen in een strafvorderlijk onderzoek en die het openbaar ministerie in een strafdossier of in een geautomatiseerd gegevensbestand verwerkt (bijvoorbeeld informatie over verdenkingen en onderzoeksbevindingen). Het begrip ‘verwerking’ kan niet eenduidig worden gedefinieerd. In de Wjsg worden de volgende voorbeelden genoemd: vastleggen, raadplegen, vernietigen of verstrekken door middel van doorzending.
De Wjsg schrijft ook voor aan wie, voor welke doeleinden en onder welke voorwaarden gegevens mogen worden verwerkt. Soms wordt ook voorgeschreven welke specifieke verwerkingshandeling is toegestaan. Zo schrijft artikel 39f Wjsg voor onder welke voorwaarden het OM aan ‘personen of instanties’ strafvorderlijke gegevens mag verstrekken. ‘Personen of instanties’ betreft een brede doelgroep. Wel wordt een aantal doeleinden genoemd waarvoor deze gegevens uitsluitend mogen worden verstrekt, zoals het verlenen van hulp aan slachtoffers. Voor slachtoffers geldt dat op grond van de Wjsg geen eigen recht bestaat om strafvorderlijke gegevens te ontvangen. Slachtoffers hebben overigens op grond van artikel 51 Sv het Wetboek van Strafvordering wel het recht om kennis te nemen van de processtukken die voor het slachtoffer van belang zijn. In de Aanwijzing Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens staan voorschriften voor verstrekking door het OM voor buiten de strafrechtspleging gelegen doeleinden.
Begin dit jaar heeft Gerechtshof Amsterdam (afdeling civiel) een uitspraak gedaan waarbij het ging om een geschil tussen twee voormalig zakenpartners. Zakenpartner A had een geldvordering op zakenpartner B. Laatstgenoemde bood echter geen verhaal en verder was tegen hem in de tussentijd een strafrechtelijk onderzoek gestart. Zakenpartner A heeft in de civiele procedure inzage gevorderd in het strafdossier van de strafzaak tegen zakenpartner B. Dit betrof een civiele vordering, op grond van artikel 843a Rv (oud). Met dit strafdossier, welke onder meer FIOD-stukken omvatte, kon zakenpartner A namelijk inzicht krijgen in de geldstromen van aan zakenpartner B gelieerde rechtspersonen en zo bepalen tegen welke van deze rechtspersonen rechtsmaatregelen konden worden getroffen. Het hof oordeelde in deze zaak dat aan de vereisten voor toewijzing van de civiele vordering tot inzage was voldaan. Na deze civiele toets, volgde echter nog een tweede toets. De vraag lag namelijk voor of de Wjsg niet aan het verlenen van inzage in de weg stond. Wanneer het OM namelijk op grond van de Wjsg niet het recht heeft om de opgevraagde stukken te verwerken, kunnen de overwegingen in dit verband ‘gewichtige redenen’ opleveren om de civiele vordering af te wijzen.
Wat in deze uitspraak opvalt is dat de civiele vordering tot inzage zonder nadere toelichting door het hof wordt gekoppeld aan ‘verstrekking’ in de zin van de Wjsg. ‘Inzage’ is immers iets anders dan ‘verstrekking’. Op grond van artikel 843a Rv (oud) kan naast inzage weliswaar ook een afschrift of uittreksel gevorderd worden, maar op basis van de uitspraak zag de vordering in onderhavig geval uitsluitend op het verkrijgen van ‘inzage’. Dit betekent dat strikt genomen de vraag kan worden opgeworpen of in onderhavige zaak de Wjsg wel van toepassing was omdat ‘inzage’ iets anders is dan ‘verstrekking’. Verder valt op dat de overwegingen die onder de Wjsg tot de uitkomst leiden dat het OM geen recht heeft om bepaalde gegevens te verstrekken, kennelijk niet automatisch leiden tot een ‘gewichtige reden’ om niet aan de civiele vordering te voldoen. Dit volgt tevens uit een arrest van de Hoge Raad uit 2021. Het blijft echter in het midden onder welke omstandigheden wel of geen sprake is van ‘gewichtige redenen’ om niet aan de civiele vordering te voldoen. Het hof merkt onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad wel nog op dat iedere wettelijke regeling zijn eigen afwegingskader heeft. Wanneer in de ene procedure wordt geweigerd om stukken te verstrekken, is dit niet beslissend voor de beantwoording van de vraag in een andere procedure of sprake is van ‘gewichtige redenen’ om de stukken niet te verstrekken. In onderhavige zaak oordeelde het hof dat ondanks dat nog geen definitieve vervolgingsbeslissing was genomen, hetgeen op grond van de Aanwijzing een omstandigheid is die zich tegen verstrekking verzet, geen sprake was van doorkruising van het wettelijk stelsel. Niet ter discussie stond namelijk dat de Officier van Justitie al wel had besloten dat er een vervolging zou gaan plaatsvinden.
Kort en goed volgt uit de uitspraak van het hof dat indien het OM op basis van de Wjsg niet het recht heeft om justitiële of strafvorderlijke gegevens aan derden te verstrekken, dit van invloed kan zijn op andere rechtsmiddelen om (inzage in) bepaalde gegevens te vorderen. Onzes inziens dient te worden voorkomen dat termen als ‘verstrekking’ en ‘inzage’ door elkaar heen gaan lopen. Op zijn minst menen wij dat hierbij een motiveringsplicht op de rechter drukt. Verder zou het onzes inziens gelet op de rechtseenheid en de rechtszekerheid goed zijn om meer duidelijkheid te scheppen over de vraag wanneer al dan niet sprake is van ‘gewichtige redenen’, in geval op grond van de Wjsg geen recht op gegevensverwerking bestaat. Wij zullen de ontwikkelingen op dit vlak op de voet blijven volgen.
Heb je vragen over het delen van justitiële en strafvorderlijke gegevens door het OM of wil je hierover van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact op met ons op via vaklunch@hertoghsadvocaten.nl.

No Comments