#376: Vergissen ≠ fraude

Vergissen is menselijk. Het kan iedereen gebeuren. Als je je vergist doe je niet opzettelijk iets verkeerd. Nee, je maakt een fout en je bedoelingen zijn goed. Van “willens en wetens” handelen is geen sprake. Een vergissing moet dus ook niet gejuridiseerd worden tot het strafrechtelijk verwijtbare opzet. Een vergissing is geen fraude. En dat vindt het Gerechtshof Amsterdam gelukkig ook.

In het arrest van 3 juni 2020 oordeelt Hof Amsterdam in een zaak waarin de verdachte primair werd verdacht van het opzettelijk doen van een onjuiste aangifte omzetbelasting. De onjuistheid zou bestaan uit het opgeven van een te laag bedrag aan omzet. Het hof spreekt de verdachte vrij ten aanzien van het primair tenlastegelegde, omdat geen sprake was van een ‘bij de belastingwet voorziene aangifte’. De aangifte was namelijk niet ingediend binnen de daarvoor vermelde termijn, zie in dat verband ook het arrest van de Hoge Raad van 28 juni 2016 en Vaklunch #178. Subsidiair luidde de verdenking het gebruik maken van een vals document, namelijk een valse aangifte. Nu de aangifte geen fiscaal delict oplevert staat artikel 69, lid 4, AWR hieraan niet in de weg.

Het Hof oordeelt dat het gaat om een aangifte van omzet die meestal elke maand op een vast rond bedrag uitkwam. De omzet die in deze specifieke aangifte niet is opgegeven heeft betrekking op specifieke facturen die geen verband hielden met de terugkerende activiteiten van het bedrijf. Deze hebben betrekking op de uitkoop van iemand uit een bedrijf. Het ging dus om incidentele facturen. Het Hof oordeelt dat het “voor mogelijk moet houden” dat deze facturen over het hoofd zijn gezien. Er is simpelweg niet voldoende bewijs om te concluderen dat de medewerker deze omzet bewust niet in de aangifte heeft opgenomen. Het Hof verwijst naar aanwijzingen in het dossier waaruit blijkt dat iemand in samenspraak met de verdachte geld nodig had voor specifieke doeleinden, maar volgens het Hof ontbreekt “solide bewijs”.

Hoewel de rechtbank nog had overwogen dat het doen van de aangifte zo was georganiseerd “dat nergens in de keten van de bedrijfsvoering enige vorm van effectieve controle op de af te dragen omzetbelasting bestond en zo willens en wetens de aanmerkelijke kans werd aanvaard” dat een onjuiste aangifte zou worden gedaan, ziet het Hof dat anders. Het Hof oordeelt dat de specifieke medewerker de taak had de aangiften omzetbelasting te doen. Het ging om een vast bedrag per maand en was daardoor niet complex. De situatie voor dit specifieke tijdvak betrof een incidentele situatie. Er is volgens het Hof geen beleid of werkproces waarmee de aanmerkelijke kans op een onjuiste aangifte werd veroorzaakt en die kans ook nog eens willens en wetens werd aanvaard. Volgens het Hof moet voor mogelijk worden gehouden dat de fout bij vergissing is gemaakt.

Ons inziens is dit een zuiver oordeel. Enkele aanwijzingen dat sprake zou kunnen zijn van een motief voor frauduleus handelen betekent niet dat ook sprake is van fraude. Daarvoor is hard bewijs nodig. Als dat er niet is, dan dient de rechter de verdachte het voordeel van de twijfel te geven en het “voor mogelijk te houden” dat de betrokkene niet strafrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl. Uiteraard is het ook mogelijk om over dit onderwerp te praten in een (digitale) Vaklunch on demand.

Geen reacties

Plaats een reactie