#410: De vergaarbak witwassen

In de praktijk zien we dat het Openbaar Ministerie zaken die slecht zijn onderzocht vervolgt voor witwassen. Zonder goed onderzoek te doen naar de herkomst van het vermogen of de wetenschap van partijen omtrent de herkomst van het vermogen slaat het Openbaar Ministerie dan als het ware om zich heen. Dit soort acties van het Openbaar Ministerie resulteert gelukkig wel vaak in een vrijspraak. Hoewel een vrijspraak slechts een pleister op  de wond is biedt het rechterlijk oordeel wel een belangrijke stok achter de deur.

Op 15 februari heeft de Rechtbank Overijssel een verdachte vrijgesproken van witwassen. De verdachte, een 50 jarige man, werd verdacht van witwassen omdat hij en de medeverdachte onroerend goed hadden aangekocht zonder hypotheek terwijl uit de bij de Belastingdienst bekende gegevens onvoldoende middelen bekend waren om deze panden te financieren.

Voor een bewezenverklaring van witwassen is vereist dat vast komt te staan dat het geldbedrag waarop de verdenking van witwassen betrekking heeft middellijk of onmiddellijk uit enig misdrijf afkomstig is en dat verdachte dat wist dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden. Indien geen direct bewijs aanwezig is voor een gronddelict dan is het aan het Openbaar Ministerie om feiten en omstandigheden aan te dragen die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen.

In de onderhavige zaak heeft het Openbaar Ministerie volgens de rechtbank voldoende feiten en omstandigheden aangedragen die een vermoeden van witwassen rechtvaardigen. Op basis van een vermogensvergelijking wordt aangenomen door de rechtbank dat onvoldoende middelen voorhanden waren bij de verdachten om de panden te betalen. De medeverdachte heeft echter verklaard diverse leningen te hebben afgesloten ten behoeve van de financiering en dat het geld dus een legitieme herkomst heeft. De rechtbank gaat in deze zaak niet in op rechtsgeldigheid van de leningen, omdat niet uit het dossier blijkt dat de verdachte enige betrokkenheid had bij deze leningen.

Ten aanzien van het overige bedrag van € 30.000 oordeelt de rechtbank dat geen enkel bewijs is aangedragen door het Openbaar Ministerie waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte wist of redelijkerwijs kon weten dat dit bedrag een criminele herkomst had. De rechtbank spreekt de verdachte integraal vrij.

De rechtbank is dus helder; het is aan het Openbaar Ministerie om bewijs aan te dragen aangaande de wetenschap en betrokkenheid van de verdachte. Niet kan worden volstaan met een vermogensonderzoek. Het zou veel onnodige capaciteitsinzet voorkomen als het Openbaar Ministerie iets eerder tot inkeer komt in dit soort zaken en de verdachten het leed besparen van een openbare terechtzitting. Hierover schreven wij ook recent nog in Vaklunch #405.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl. Uiteraard is het ook mogelijk om over dit onderwerp te praten in een digitale Vaklunch on demand.

 

Geen reacties

Plaats een reactie