#432: Tweemaal is scheepsrecht?

Het Openbaar Ministerie is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van drie accountants. Het Openbaar Ministerie krijgt een flinke veeg uit de pan omdat het tot op heden geen duidelijkheid kan geven over de gemaakte belangenafweging bij de vervolgingsbeslissing.

Deze uitspraak betreft de nasleep van het strafrechtelijk onderzoek naar bouwbedrijf Ballast Nedam. Naast die onderneming en een paar van haar bestuurders werd in deze zaak ook accountancybedrijf KPMG als verdachte aangemerkt, evenals drie accountants die daar werkzaam waren. In 2012 werd een schikking gesloten met Ballast Nedam en kort daarna werd de strafvervolging van een aantal leidinggevenden geseponeerd. Ook met de rechtspersoon KPMG werd een schikking getroffen. Aanvankelijk leek dat een totaaloplossing te zijn, maar in een laat stadium werd duidelijk dat de drie accountants hier toch niet onder vielen. De vervolging tegen hen werd doorgezet.

In 2018 werd het Openbaar Ministerie al door de rechtbank Midden-Nederland niet-ontvankelijk verklaard in deze drie strafzaken. De rechtbank stelde toen dat niet te begrijpen viel waarom de zaken tegen een aantal bestuursleden van Ballast Nedam na de schikking met het bedrijf wél werden geseponeerd, maar de vervolging van de accountants die de jaarrekeningen hadden goedgekeurd in stand bleef. Bovendien had het Openbaar Ministerie het schikkingsvoorstel gelijktijdig aan zowel KPMG als aan de daar werkzame accountants gedaan, en pas na betaling van de overeengekomen transactiebedragen door de drie natuurlijke personen en de rechtspersoon werd duidelijk dat de buitengerechtelijke afdoening toch enkel de rechtspersoon zou betreffen. De rechtbank meende dat hierdoor sprake was van onbehoorlijk handelen. Het Openbaar Ministerie ging tegen deze uitspraak in beroep, maar ving vorige maand bij het hof dus opnieuw bot.

In de compacte uitspraak zet het hof in niet mis te verstane bewoordingen uiteen waarom het Openbaar Ministerie “volledig is tekortgeschoten”. Het initiatief om te schikken kwam van het Openbaar Ministerie, waarbij een harde voorwaarde was dat zowel KPMG als de accountants zouden instemmen – het moest een zogenaamde ‘package deal’ worden. Hierdoor werden de accountants min of meer gedwongen om mee te werken aan de schikking. Dit leverde een kwetsbare situatie op: een verdachte die ervan uitgaat dat zijn of haar zaak buitengerechtelijk wordt afgedaan, stelt zich vanzelfsprekend heel anders op dan een verdachte die zich voorbereidt op een zitting. Door mee te doen aan de schikkingsonderhandelingen hebben de accountants hun procespositie dan ook mogelijk verzwakt. Gelet op het feit dat het Openbaar Ministerie zelf de eis van een ‘package deal’ had gesteld, had duidelijkheid moeten worden verschaft over de uiteindelijke beslissing om hier toch van af te wijken. Tot op heden is niet bekend waarom de vervolging van de accountants is voortgezet, terwijl is geschikt met hun bedrijf.

Met name dit laatste punt, de grote onduidelijkheid die is blijven bestaan, wordt het Openbaar Ministerie door het hof zwaar aangerekend. Op verschillende manieren is geprobeerd erachter te komen waarom de schikking in een zo laat stadium is afgeketst en wie daarvoor verantwoordelijk was, maar hierop is nooit een helder antwoord gekomen. Daarnaast kon het Openbaar Ministerie niet uitleggen of, en zo ja door wie, een nieuwe vervolgingsbeslissing is genomen toen de schikking eenmaal van de baan was. Het gevolg daarvan is dat deze twee besluiten niet door een rechter kunnen worden getoetst. Het hof stelt dan ook dat de “minimaal noodzakelijke duidelijkheid” ontbreekt en dat daardoor de vervolgingsbeslissing niet kan worden beoordeeld. Om die reden verklaart het hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk wegens schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde.

Het is goed om te zien dat de handelwijze van het Openbaar Ministerie in deze zaak (opnieuw) wordt bestraft. Wij zien in de praktijk dat de ongelijke verhouding tussen verdachte en Openbaar Ministerie bij schikkingsonderhandelingen soms enorm frustrerend kan zijn. Met deze uitspraak geeft het hof aan dat er grenzen zijn aan de vrijheden en bevoegdheden die het Openbaar Ministerie heeft, en dat het altijd verantwoording moet kunnen afleggen voor gemaakte beslissingen, in ieder geval met betrekking tot het al dan niet vervolgen van (rechts)personen. Dat lijkt ons niet meer dan logisch.

Het Openbaar Ministerie heeft kennelijk aangegeven nog niet te weten of het zich bij de uitspraak van het gerechtshof neerlegt. Wellicht wordt nog een poging gewaagd bij de Hoge Raad in de hoop dat driemaal scheepsrecht zal zijn. Wij hopen echter van harte dat het Openbaar Ministerie het hierbij laat, zodat voor de drie accountants na bijna tien jaar een einde kan komen aan een onzekere periode.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

Geen reacties

Plaats een reactie