#635: Een tweede kans in hoger beroep voor voormalig-topman van Jumbo

Zomerstop of niet. Dit vonnis vraagt om een Vaklunch.

Met grote belangstelling hebben wij meegelezen met de strafzaak rondom de voormalig-topman van Jumbo. Met het recent gewezen vonnis is de media overspoeld geraakt. En dat is begrijpelijk: het feitencomplex is geschetst als een thriller en de straf is fors. De Noordelijke Fraudekamer heeft de voormalige Jumbo-topman veroordeeld tot 24 maanden onvoorwaardelijk voor (passieve) niet-ambtelijke omkoping (art. 328ter Sr), valsheid in geschrifte (art. 225 Sr) en witwassen (art. 420bis Sr). Het vonnis leest vlot en stevig: een patroon van giften en sponsordeals, een dieplader voor een vriendenprijs, kasten vol Snap-on en een koelkast vol contanten. Maar is de juridische landing net zo solide als de feiten indruk maken?

Van passieve niet-ambtelijke omkoping in de zin van artikel 328ter Sr is sprake als iemand, anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking of optredend als lasthebber, naar aanleiding van hetgeen hij in strijd met zijn plicht in zijn betrekking of bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten, een gift, belofte of dienst aanneemt dan wel vraagt. De rechtbank schetst een relatie waarbij goederen gratis of onder de marktwaarde aan de voormalig topman in privé zijn geleverd; soms met een directe tegenprestatie doordat Jumbo sponsorfacturen betaalde, soms met het oogmerk om een voorkeursbehandeling te verkrijgen.

Opmerkelijk in het vonnis vinden wij met name het vastgestelde causale verband tussen de vermeende giften of onder de marktwaarde verkochte goederen en de sponsorcontracten. De rechtbank stelt dat het causaal verband duidelijk uit een opgenomen gesprek zou volgen, maar er is feitelijk niets vastgesteld over hoe deze sponsordeal daadwerkelijk tot stand is gekomen. Dat terwijl de rechtbank daarvoor vaststelt dat de Chief Financial Officer (CFO) van Jumbo heeft aangegeven dat de besluitvorming omtrent sponsoring een familieaangelegenheid is. Van die sponsoring vindt in de financiële rapportages verantwoording plaats, die door de CFO in de gaten wordt gehouden. Maar wie precies op de hoogte was van de inhoud en totstandkoming van de sponsordeal, blijft ongewis. En dat is cruciaal voor de vraag of in strijd met de plicht van Jumbo is gehandeld en in zoverre of sprake is van een causaal verband.

De rechtbank lijkt bovendien de tijdsvolgorde en relatiecontext als dragende elementen te beschouwen, maar motiveert niet overtuigend waarom deze omstandigheden meer waarschijnlijk maken dat de giften het handelen hebben beïnvloed, in plaats van slechts samen te vallen in de tijd. Er is dus geen direct bewijs van een quid pro quo, maar enkel de conclusie dat de giften ‘mede’ aanleiding zouden hebben gegeven tot het handelen. Daarmee schuift de lat gevaarlijk dicht naar een bewijs door suggestie. Wie geen sluitende alternatieve verklaring kan geven, ziet het vermoeden tegen zich keren.

Deze lijn van summiere onderbouwing wordt vervolgd als het gaat om de valsheid van facturen. En dan met name als het gaat om de wetenschap van de voormalig topman. Voor de factuur van € 335.000 steunt de wetenschap van de verdachte op een handgeschreven notitie en verklaring van de medeverdachte, alsook de constructie als geheel. De rechtbank vrijwaart hem zelfs van één specifiek detail (wel/geen Snap-on-koppeling), maar houdt de valsheid in stand. Dat maakt de bewijsredenering smal: wie zegt dat elke sponsorpost die (deels) weglekt via intermediairs automatisch een door de topman vals goedgekeurd stuk is? Hier ontbreekt op punten de rokende e-mail of handtekening waaruit zijn concrete wetenschap blijkt; het vonnis compenseert dat met een totaalbeeld van de feiten omstandigheden, terwijl dit toch ernstig een in hindsight gevoel opwerpt. Een rode draad in de uitspraak.

En juist daarom stuit de strafmaat ons tegen de borst. De rechtbank heeft weliswaar een prachtig feitenrelaas op papier gezet, maar zelfs als men meent dat de voormalige Jumbo-topman strafbaar heeft gehandeld, kan niet zomaar worden gesteld dat hij het gehele feitencomplex heeft overzien. In een web van dit soort feiten is het immers gemakkelijk om achteraf met de vinger te wijzen. Een tweede kans lijkt dan meer op zijn plaats. Maar eerst een tweede kans in hoger beroep, want de motivering van de rechtbank laat duidelijk te wensen over.

Heb je hier vragen over of wil je hierover van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact op via [email protected].

No Comments

Post a Comment