#188: Bent u wel onpartijdig?

Afgelopen vrijdag, 14 oktober jl., vond de vierde landelijke Hertoghs pleitwedstrijd plaats in de (bijzondere) rechtbank in Breda. Studenten fiscaal recht en studenten strafrecht hebben met verve de zaak voor het Openbaar Ministerie en de verdachte bepleit aan de hand van een dossier dat nauwelijks van echt te onderscheiden was. De bijzondere zittingscombinatie bestaande uit een frauderechter, een officier van justitie en een advocaat hebben de studenten laten voelen hoe het is om écht in de rechtbank te staan. En de cliënt deed ook een duit in het zakje door de adviezen van zijn advocaten prompt te vergeten bij het binnentreden van de zittingszaal. Alle hens aan dek voor de procespartijen dus. En ook dit jaar zocht de rechtbank de grens van de schijn van partijdigheid op. Maar wat doe je als de rechter tegen de verdachte zegt: maar ik geloof u gewoon niet?Lees verder

#174: Rechtbank steekt eigen band lek

De actieve rechter die het Openbaar Ministerie een handje helpt tijdens de behandeling ter terechtzitting blijft de gemoederen bezig houden. In #024 schreven wij in dat kader al over een prikkelend artikel van mr. L.M.G. de Weerd. Hij meent dat er niets op tegen is als de rechter de officier van justitie wijst op – bijvoorbeeld – fouten in de tenlastelegging. In #157 schreven wij over een zaak waarin de rechter ter zitting constateerde dat de twee ten laste gelegde feiten elkaar uitsluiten en daarmee ‘de lekke band van de officier’ probeerde te plakken. De verdediging heeft in die zaak de rechtbank gewraakt omdat de rechtbank zich teveel met de regie van de tenlastelegging bemoeide. Bij de verdachte was daardoor de (objectieve) vrees ontstaan dat de rechter vooringenomen was. De wrakingskamer wees het verzoek af, maar merkte wel op dat de rechter minder stellige bewoordingen had kunnen gebruiken. Hoe ver mag de rechter dan gaan om het Openbaar Ministerie toch een handje te helpen? Rechtbank Noord-Holland vindt in ieder geval dat de rechtbank zich niet (op elk moment) mag bemoeien met de tenlastelegging en tikte onlangs rechters in een dergelijke situatie op de vingers.Lees verder

#157: Rechter blijf bij uw leest

In artikel #024 schreven wij over een prikkelend artikel van mr. L.M.G. de Weerd ‘Geen scheidsrechter, maar rechter’ waarin hij aandacht vraagt voor het feit dat de rechter zijns inziens waar nodig een helpende hand moet bieden. Hij schrijft: “Als de officier van justitie een lekke band heeft, mag de rechter die best plakken”. Hij noemt als voorbeeld de situatie waarin de tenlastelegging een fout bevat. De Weerd meent dat er dan niets op tegen is als de rechter de officier van justitie wijst op dergelijke fouten. Toch kan een dergelijke houding van een rechter een succesvolle wraking opleveren. Hoe ver mag een rechter nu gaan?Lees verder

#128: Het zijn net mensen

De televisieserie ‘Kijk in de ziel van rechters’ zal velen van u niet ontgaan zijn. In de serie maakt de kijker kennis met rechters en de te nemen beslissingen waar zij iedere dag mee te maken hebben. Rechters worstelen dagelijks met moeilijke vraagstukken en afwegingen van belangen. In deze serie was te zien dat rechters net mensen zijn, emoties hebben en soms ook deze emoties in de rechtszaal laten zien. Soms gaat dat te ver en wekt dat de schijn van partijdigheid. In dat geval kan de rechter gewraakt worden basis van artikel 512 Sv omdat hij zich niet als onbevangen en onpartijdige procespartij laat zien. Rechters mogen niet de schijn van partijdigheid wekken. Over de vraag of het wrakingsverzoek terecht is geweest beslissen doorgaans collega-rechters. De vraag is of een collega-rechter – ook een mens – onpartijdig over zijn directe collega kan oordelen. Om ook deze schijn te voorkomen en te onderzoeken of de behandeling van een wrakingsverzoek door een externe kamer bijdraagt aan het vertrouwen van rechtzoekende als het aankomt op wraking, is in 2014 de pilot ‘externe wrakingskamer’ opgezet. Heeft deze pilot nu een kritischere wrakingskamer opgeleverd?Lees verder

#072: Het verbod van rechtsweigering in de praktijk

Niet zelden komt het voor dat je voorafgaand aan een zitting de strafgriffie hebt gebeld om de samenstelling van de kamer te vernemen en tijdens de zitting blijkt dat toch andere rechters de zaak behandelen. Of als je niet alle rechters van Nederland kent dan kom je daar soms pas achter bij het ontvangen van de uitspraak of het proces-verbaal van de zitting. Ook kan het zo zijn dat bij meerdere zittingsdagen opeens in een gewijzigde samenstelling de zaak wordt behandeld. De rechtbank stelt dan veelal de suggestieve vraag: “Wij nemen aan dat de verdediging akkoord gaat met de gewijzigde samenstelling?” Het is echter van uitermate groot belang om te weten wie de rechters zijn zodat kan worden geverifieerd of de betreffende rechters onpartijdig en objectief zijn. Wij vragen ons af hoe deze twee situaties zich verhouden tot het verbod van rechtsweigering en het verzoek om verschoning ex artt. 517 en 518 Wetboek van Strafvordering.

Ingevolge artikel 517 Wetboek van Strafvordering kan een rechter zich verschonen. De gronden voor de verschoning zijn dezelfde als de gronden voor de wraking, namelijk gevaar voor rechterlijke partijdigheid. In verband met het verbod van rechtsweigering is het niet voldoende dat een rechter zelf stelt zich te willen verschonen. De rechter is verplicht om de zaak voor te leggen aan de in art. 518 genoemde meervoudige kamer. In het kader van het moderniseren van het Wetboek van Strafvordering is een discussiepunt gewijd aan ‘Wraking en verschoning van rechters’. Er bestaat in de praktijk behoefte aan een vereenvoudigde verschoningsprocedure waarin naar een balans wordt gezocht tussen de proceseconomische overwegingen, transparantie en voorkoming van rechtsweigering. Een goed initiatief aangezien nu met de gewijzigde zittingssamenstelling en de informele terugtrekkingen onbekend is waarom een rechter zich terugtrekt en de verschoningsprocedure simpel kan worden omzeild.

In het discussiestuk ‘Wraking en verschoning van rechters’ staat dat in de praktijk voorafgaand aan de zitting vervanging meestal niet vanwege een informele terugtrekking plaatsvindt maar vanwege ziekte, prangende familie omstandigheden of organisatorisch redenen. Pas op het moment van de zitting staat de samenstelling definitief vast. Dit doet direct de vraag rijzen: ‘En hoe zit het dan met de voorbereiding?’ Als een rechter op het laatste moment ziek wordt en hij/zij wordt vervangen door een andere rechter dan kan deze zich toch nooit zorgvuldig hebben voorbereid? Dit doet het idee ontstaan – indien de samenstelling van de rechtbank op het laatste moment anders blijkt te zijn – dat de vervangende rechter onvoorbereid deelneemt aan de zitting.

Wij zouden derhalve menen dat de zittingssamenstelling te allen tijde aan de verdediging dient te worden bekend gemaakt. Op die manier kunnen de nevenfuncties van de rechters worden gecontroleerd en dit ook met de cliënt worden besproken. Veelal weet de cliënt het beste of hij op de een of andere manier contacten onderhoudt met de rechter(s) en dus sprake kan zijn van partijdigheid. Indien voorafgaand aan de zitting sprake is van een informele terugtrekking dan wel een wijziging van organisatorische aard dan dient de verdediging hierover voorafgaand aan de zitting te worden geïnformeerd onder vermelding van de wijziging van de samenstelling en de reden hiervan. Op die manier kan controle worden uitgeoefend op de reden van terugtrekking en behoudt de verdediging de mogelijkheid om de gewijzigde samenstelling te bespreken met cliënt.

Hetzelfde geldt in wezen voor de gewijzigde samenstelling. Ook na aanvang van de behandeling zou de verdediging hierover actief en voorafgaand aan de zitting moeten worden geïnformeerd. Dit biedt niet alleen de gelegenheid om de (on)partijdigheid van de nieuwe rechter met cliënt te bespreken maar kan ook worden nagegaan of er proceshandelingen hebben plaatsgevonden die van dusdanig groot belang zijn dat door de gewijzigde samenstelling het proces niet verder kan gaan waar zij gebleven was. Zeker in verband met gehoorde getuigen kan het van uitermate groot belang zijn dat alle rechters de overtuigingskracht van een bepaalde getuige hebben gezien. Door voorafgaande transparantie over de wijziging en de reden van wijziging kan hierop worden geanticipeerd zonder dat de verdediging ‘nee’ moet antwoorden op de suggestieve vraag van de rechtbank of zij verder kan gaan in de gewijzigde samenstelling en de toon voor de verdere procedure is gezet.

Kortom, wij hebben in beginsel geen problemen met informele terugtrekkingen oftewel rechtsweigering zolang de rechtbank hierover tijdig open en transparant is. Dit komt de controle op de rechtsweigering en onpartijdigheid ten goede zonder dat dit ten koste hoeft te gaan van de efficiëntie. Als zich inderdaad een probleem op korte termijn van organisatorische aard voordoet dan moet de efficiëntie niet voorop staan maar de goede voorbereiding van de rechter. Echter, kan dit in sommige gevallen niet in het belang van de verdachte zijn. In dat geval zou een regeling moeten bestaan waarbij met toestemming van partijen alsnog een wisseling kan plaatsvinden.

Vind jij dat de regeling omtrent verschoning aan vernieuwing toe is? En vind jij dat de rechterlijke macht meer openheid moet geven over een gewijzigde samenstelling alsook de reden hiervan?

#047: Schijnbaar partijdig op de zaken vooruitlopen

Artikel 512 Wetboek van Strafvordering (Sv) biedt de verdachte de mogelijkheid een (schijnbaar) partijdige rechter te wraken. Een dergelijk wrakingsverzoek slaagt eerst indien aangetoond wordt dat de rechterlijke onpartijdigheid op grond van feiten of omstandigheden schade zou kunnen lijden. Dat dit geen eenvoudige exercitie is, blijkt uit de jurisprudentie ten aanzien van dit onderwerp: veel wrakingsverzoeken worden afgewezen. Zie daartoe bijvoorbeeld de uitspraak van Rechtbank Noord-Nederland van 28 oktober 2013. Een wrakingsverzoek slaagt dus niet zomaar. Het ‘enkel’ niet eens zijn met de beslissing van een rechter levert (uiteraard) geen wrakingsgrond op. Dit zou immers een verkapt hoger beroep opleveren. De rechter moet zich daadwerkelijk partijdig hebben opgesteld of in ieder geval de schijn van partijdigheid hebben gewekt. Twee recente uitspraken laten zien dat onder omstandigheden het niet eens zijn met de beslissing van een rechter, toch een wrakingsgrond oplevert. Dit is het geval indien de rechter zijn beslissingen op vooringenomen wijze (b)lijkt te hebben genomen.

Hof Amsterdam besliste in een zaak van 23 december 2013 dat de rechters in de betreffende zaak inderdaad partijdig hebben gehandeld en verklaarde het wrakingsverzoek gegrond. De beslissingen van de strafkamer waren in deze zaak onderwerp van het wrakingsverzoek. In deze zaak had op 26 augustus 2013 een regiezitting plaatsgevonden, waar nader te horen getuigen waren opgegeven door de verdediging. De getuigen betroffen (onder meer) een verbalisant en de officier van justitie, die duidelijkheid dienden te verschaffen over de aanvang van het onderzoek. Het onderzoek is vervolgens onderbroken en op 2 oktober 2013 hervat. Tijdens die zitting heeft de voorzitter de afwijzende beslissingen van de strafkamer ten aanzien van de onderzoekswensen meegedeeld.

Op 8 oktober 2013 is vervolgens een wrakingsverzoek ingediend door de verdediging. Uit dit verzoek blijkt dat de getuigenverzoeken zijn gedaan in verband met een (ook) in hoger beroep te voeren verweer dat bij de start van het onderzoek onrechtmatigheden hebben plaatsgevonden die tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie moeten leiden, met toepassing van artikel 359a Sv. Het proces-verbaal terechtzitting duidt erop dat ook de strafkamer de verzoeken dienovereenkomstig heeft opgevat. De hieruit volgende vraag of de gestelde onrechtmatigheden tot toepassing van artikel 359a Sv moeten leiden, is voorgelegd aan de strafkamer ter beoordeling op grond van het onderzoek ter terechtzitting. De strafkamer heeft de afwijzing gemotiveerd door te stellen dat, voor zover al onrechtmatigheden hebben plaatsgevonden, deze hebben plaatsgevonden in het kader van een ander onderzoek en niet in het vooronderzoek naar de feiten die in de onderhavige zaak aan de orde waren. De wrakingskamer heeft geoordeeld dat de strafkamer schijnbaar vooruit is gelopen op de bij het eindarrest te geven beoordeling. De wrakingskamer acht de vrees van verzoeker voor vooringenomenheid van de strafkamer objectief gerechtvaardigd en verklaart het verzoek gegrond.

Ook was onlangs een wrakingsverzoek aan de orde in een vonnis van Rechtbank Noord-Holland van 30 december 2013. In deze zaak hebben de rechters het verzoek van de verdediging om het concept proces-verbaal van een getuigenverhoor aan het procesdossier te voegen, afgewezen. In de latere – door dezelfde rechters – afgegeven beschikkingen waarin de verzoeken tot opheffing/schorsing van de voorlopige hechtenis zijn afgewezen, zijn zij ingegaan op het verweer. Dit  was door de verdediging (mede) gebaseerd op het concept proces-verbaal dat zij aan het dossier had willen voegen. In deze zaak staat vast dat de rechters van dat stuk geen kennis hadden genomen. Desondanks hebben de rechters in hun motivering tot afwijzing van de verzoeken tot opheffing van de voorlopige hechtenis een oordeel gegeven over de gegrondheid van het proces-verbaal. Dit wekt volgens de wrakingskamer ten minste de indruk dat de rechters een oordeel hebben geveld zonder daarbij het bewijsstuk te willen betrekken.  Daarmee is de indruk gewekt dat de rechters op voorhand verzoekers niet in het door hun bepleite standpunt wilden volgen en het aangedragen bewijsstuk niet in hun beslissing wilden betrekken. Hiermee is de schijn van vooringenomenheid volgens de wrakingskamer gegeven; het wrakingsverzoek is dan ook toegewezen.

Dat voorzichtig dient te worden omgesprongen met het doen van een wrakingsverzoek is duidelijk. Het ‘zomaar’ gebruiken van dit middel kan worden aangemerkt als misbruik om het proces te frustreren. Wij zijn benieuwd naar jullie ervaringen met wrakingsverzoeken. Wanneer zet je dat middel wel in en wanneer niet? En indien je het middel hebt ingezet, is het toen gegrond verklaard?

#030: De advocaat als rund en de rechter die het vlees keurt

In het Advocatenblad van september 2013 stond een pakkend artikel over het verschil tussen advocaten en het Openbaar Ministerie: ‘De advocaat als rund’. Dit artikel laat zien dat de rechterlijke macht ‘de hand boven het hoofd’ van het Openbaar Ministerie houdt ten aanzien van beledigende uitlatingen over de verdachte. De advocaat wordt daarentegen ‘gestraft’ indien kritiek wordt geuit op de rechterlijke macht. Er wordt aldus met twee maten gemeten. Maar had het Hof de advocaat op deze gronden de mond mogen snoeren en naar de publieke tribune sturen onder het mom van ‘orde op de terechtzitting’? Of had de rechtbank bijvoorbeeld een tuchtrechtelijke klacht moeten indienen tegen de betreffende advocaat?

Advocaten leveren in het belang van hun cliënt vaak (felle) kritiek op de werkwijze van justitiële instanties en de rechterlijke macht. In de tuchtrechtspraak wordt echter het centrale criterium gehanteerd dat de advocaat grote vrijheid dient toe te komen bij de verdediging van zijn cliënt. Een advocaat heeft de verantwoordelijkheid een beargumenteerde afweging van belangen te maken. Dit betekent overigens geenszins dat deze vrijheid absoluut is. Een advocaat mag een rechter niet misleiden of derden beschuldigen van gedrag dat niet met feiten kan worden onderbouwd. Echter, een advocaat mag wel feiten naar voren brengen die voor derden kwetsend zijn , indien dit in het belang is van zijn cliënt.[1]

De vraag is aldus of de zinsnede “Veeleer lijkt er sprake te zijn van een kritiekloze volgzaamheid ten aanzien van de Hoge Raad, alsook van een gebrek aan zedelijke moed om de rechtsorde te verdedigen tegenover de schaamteloze serviliteit van de Hoge Raad ten opzichte van een misdadige politieke leiding, die vasthoudt aan de nucleaire systeemmisdaad” of de zinsnede “manifesteert de Hoge Raad zich als serviele en gewetenloze lakei van de politieke leiding van ons land” in het belang van zijn cliënt waren. Immers in dat geval mag de advocaat dergelijke opmerkingen wel degelijk maken. Nog daar gelaten of dezeüberhaupt kwetsend zijn.

Overigens mag een voorzitter op basis van de artikelen 124 en 272 Sv maatregelen treffen teneinde de orde op terechtzitting te handhaven; daartoe kan behoren het ontnemen van het woord aan een luidruchtige verdachte of aan een raadsman die zich tijdens zijn pleidooi herhaaldelijk bedient van strafbare uitlatingen jegens de rechterlijke macht, aldus de Advocaat-Generaal bij het betreffende arrest. De vraag is dus tevens of dergelijke uitlatingen van een advocaat als strafbaar zijn aan te merken en derhalve reden hadden mogen zijn om een advocaat het woord te ontnemen.

Het Hof heeft zich in bovenstaande zaak dus een belangrijk machtsmiddel toegeëigend door de advocaat de mond te snoeren en naar de publieke tribune te sturen. Dit terwijl men zich kan afvragen of dergelijke uitingen strafbaar zijn, aangezien het tuchtrecht van de advocaat stelt dat een advocaat grote vrijheid toekomt om de belangen van zijn cliënt te behartigen en mogelijk kwetsende opmerkingen te maken. Had de rechter niet gewoon een tuchtrechtelijke klacht moeten indienen zoals ook de mogelijkheid bestaat voor een advocaat om een klacht over een rechter in te dienen? Bij de deken kan immers een klacht worden ingediend door de cliënt, door een officier van justitie, door een rechter of zelfs door een derde, zolang de klager maar een eigen belang heeft bij de klacht.[2]

Of had de advocaat naar aanleiding van de ‘bestraffing’ door de rechter juist  grond om te wraken? Immers indien feiten of omstandigheden zich voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden is dit grond voor wraking. De meest frequent aangevoerde reden om te wraken, is de wijze waarop een rechter de zaak en/of partij behandelt. Als de rechter in plaats van een klacht in te dienen, op de stoel van de tuchtrechter gaat zitten, is dit dan een wrakingsgrond? Mag de rechter zich op die manier bemoeien met de invulling van de verdediging? Voorstelbaar is dat de ‘afstraffing’ van de advocaat die bepaalde uitlatingen doet, onder omstandigheden – tenminste – de schijn van partijdigheid kan wekken.

Wij zijn benieuwd naar jullie ervaringen met de wijze waarop een rechter omgaat met vergaande kritiek geuit in het belang van je cliënt. En  in het geval de rechter dergelijke uitlatingen ‘afstraft’, heeft het dat zin om in die situatie te wraken?


[1] Zie het boek van Taru Spronken, ‘Verdediging’, pagina 585 en 586, voetnoot 317 en 318. 

[2] mr. M.F. Attinger, Handboek strafzaken, 2.4 tuchtrecht algemeen.