#099: Een stukje rechterlijke ongehoorzaamheid?

In artikel #80 besteedden wij reeds aandacht aan een trend die waarneembaar is, waarin de Hoge Raad streng toeziet op het niet-ontvankelijk verklaren van het Openbaar Ministerie en feitenrechters daarentegen streng toezien op het handelen van het Openbaar Ministerie met al dan niet niet-ontvankelijkheid tot gevolg. Ook deze week kwamen wij een recent gepubliceerde uitspraak van een politierechter tegen waarin het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk werd verklaard.Lees verder

#057: ‘Onder de rechter’, geschikt?

De beslissing om iemand wel of niet te vervolgen is aan het Openbaar Ministerie. Toch is het Openbaar Ministerie het achteraf niet altijd met deze eerder genomen vervolgingsbeslissing eens. Dergelijk voortschrijdend inzicht kan het Openbaar Ministerie bijvoorbeeld doen besluiten een transactie te sluiten met de verdachte. Door aan voorwaarden te voldoen, voorkomt de verdachte dan strafrechtelijke vervolging. In de praktijk komt het voor dat het Openbaar Ministerie in zaken waarin de behandeling ter zitting al is aangevangen alsnog een transactie sluit, bijvoorbeeld na de regiezitting maar voor de inhoudelijke behandeling. In een dergelijk geval kan het Openbaar Ministerie de dagvaarding niet meer intrekken. De zaak is immers ‘onder de rechter’. Deze gevallen worden in de praktijk pragmatisch opgelost door de zaak niet meer op de rol te zetten of de rechter te verzoeken het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren. Hoewel deze laatste oplossing een gemakkelijke lijkt, blijken rechters zich daar in de praktijk niet altijd iets van aan te trekken. De rechter volstaat dan met de overweging dat de zaak ‘onder de rechter’ is. Maar in hoeverre staat het de rechter vrij om dat te doen?

Recent oordeelde de Hoge Raad in een zaak waarin de A-G de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie vorderde, nu de zaak op andere wijze had moeten worden afgedaan. De officier van justitie had alsnog een dagvaarding uitgebracht, nadat de verdachte de hem aangeboden transactie niet had voldaan. In eerste aanleg is de verdachte veroordeeld. De A-G meende dat de onderliggende feiten geen vervolging rechtvaardigden. In dit geval had geen transactie moeten worden aangeboden, maar de zaak had moeten worden geseponeerd. Echter, het Hof verwierp het niet-ontvankelijkheidsverweer.

In cassatie heeft de verdachte daarover succesvol geklaagd. De Hoge Raad heeft overwogen dat de beslissing om tot vervolging over te gaan zich slechts in zeer beperkte mate leent voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing. Slechts in uitzonderlijke gevallen is plaats voor een niet-ontvankelijk verklaring op de grond dat het instellen van de vervolging onverenigbaar is met de beginselen van een goede procesorde, zoals het verbod van willekeur. Voor een dergelijke beslissing gelden volgens de Hoge Raad zware motiveringseisen. Het Hof heeft het oordeel dat de officier van justitie ‘kon en mocht’ komen tot de beslissing de verdachte een transactie aan te bieden, alsook dat het niet betalen van het transactiebedrag vervolgens aanleiding ‘kon en mocht’ zijn om alsnog over te gaan tot vervolging, niet toereikend gemotiveerd. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat de A-G heeft verklaard dat het Openbaar Ministerie de zaak op een andere manier had moeten afdoen. De Hoge Raad wijst de zaak terug naar het Hof.

In die gevallen waarin een transactie is gesloten terwijl de zaak ‘onder de rechter’ is zal veelal bepleit worden dat de vervolging onverenigbaar is met de beginselen van een goede procesorde. Mits goed gemotiveerd zal dit de rechter (moeten) prikkelen een inhoudelijke toets aan te leggen. De rechter kan dan niet volstaan met de beslissing dat de zaak ‘onder de rechter’ is. Doet de rechter dat toch, dan biedt het arrest van de Hoge Raad aanknopingspunten die beslissing aan te vechten.

Overigens brengt deze gang van zaken nog altijd veel onzekerheid met zich. Het sluiten van een transactie kan onder omstandigheden zijn ingegeven door het voorkomen van media-aandacht tijdens de openbare behandeling van de zaak om zo de schadelijke gevolgen van een openbare terechtzitting te voorkomen. Echter, indien de gesloten transactie door de rechter wordt afgewezen is het ‘kwaad’ van de openbare rechtszitting – ook indien vrijspraak uiteindelijk volgt – veelal al geschied. Indien de zaak ‘onder de rechter’ is, blijft men dus afhankelijk van het oordeel van de rechter. Wordt het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard en de transactie op die wijze geaccepteerd of niet? Ondanks dat de verdachte er gerechtvaardigd op zou moeten kunnen vertrouwen dat de zaak door de transactie alsnog is afgedaan, blijkt de praktijk anders.

Ons inziens zou het niet aanmerken van de regiezitting als een onderzoek ter terechtzitting een oplossing zijn die meer zekerheid biedt. In dat geval is de zaak door de regiezitting niet ‘onder de rechter’. Het staat het Openbaar Ministerie dan vrij de dagvaarding nog in te trekken indien een transactie is gesloten. Vooralsnog is daarvan echter geen sprake en blijft de onzekerheid – tenzij de rechter voorafgaand aan de zitting met de pragmatische oplossing van de niet-ontvankelijk verklaring van het Openbaar Ministerie zou instemmen – bestaan.

Wat is jouw ervaring met dergelijke situaties? Heb je wel eens in een zaak een transactie gesloten terwijl de zaak reeds ‘onder de rechter’ was? En heeft de rechter het niet-ontvankelijkheidsverweer gehonoreerd?