#183: Beroepsverbod en het legaliteitsbeginsel

Op grond van art. 28 lid 1 sub 5 Sr kan een beroepsverbod als bijkomende straf worden uitgesproken. In de wetsgeschiedenis is omschreven dat een beroepsverbod is bedoeld als een zware sanctie. Het dient niet lichtvaardig te worden opgelegd. Sinds 1 april 2010 is het aantal delicten waarvoor een beroepsverbod kan worden opgelegd flink uitgebreid. Sindsdien lijkt ook een toename waarneembaar van het aantal zaken waarin een beroepsverbod wordt opgelegd. Voor deze uitbreiding van het beroepsverbod is geen overgangsrecht bepaald. En hoewel het legaliteitsbeginsel behoort tot de fundamenten van het strafrecht, lijkt dit toch af en toe te worden vergeten. Op 6 september 2016 is het legaliteitsbeginsel in relatie tot het beroepsverbod nog eens specifiek aan de orde gekomen in een arrest van de Hoge Raad.Lees verder

#179: Zijn rechters nog altijd ongehoorzaam?

De Hoge Raad heeft een strenge en duidelijke lijn uitgezet als het gaat om het sanctioneren van vormverzuimen. Politie en justitie dienen zich gedurende het opsporingsonderzoek uiteraard te houden aan de regels zoals geformuleerd in het Wetboek van Strafvordering. Doen zij dat niet, dan kunnen dergelijke vormverzuimen consequenties hebben. Artikel 359a Sv vormt de grondslag om te bepalen of dan wel welk gevolg aan een vormverzuim moet worden verbonden. Een van die gevolgen is de sanctie van bewijsuitsluiting. Het is aan de verdediging om op basis van de criteria, zoals uiteengezet door de Hoge Raad, een dergelijke sanctie te bewerkstelligen. Vorig jaar werd een trend ontdekt waarbij rechters sneller gevolgen verbonden aan vormverzuimen dan wellicht was bedoeld door de Hoge Raad. Is deze trend nog steeds waarneembaar?Lees verder