#414: Principes en beginselen

Het strafrecht is een ultimum remedium. Alleen als ingrijpen nodig wordt geacht en geen ander middel geschikt is, kan worden gekozen voor de inzet van het strafrecht. Het is echter geen geheim dat de ultimum remedium-gedachte naar de achtergrond lijkt te zijn geraakt. Hierover schreven wij nog in Vaklunch #405. In een aantal recente arresten van gerechtshof Amsterdam aangaande de luchtvaartmaatschappijen komt de ultimum remedium-gedachte indirect toch tot uiting. Wij juichen dit van harte toe.

In deze zaken werden luchtvaartmaatschappijen strafrechtelijk vervolgd omdat zij te weinig maatregelen zouden hebben genomen om te voorkomen dat personen met valse of ontoereikende papieren Nederland binnenkomen. Het beleid van het Openbaar Ministerie is erop gericht deze zaken te vervolgen. Echter, de overheid heeft reeds lang geleden onderkend dat het de voorkeur geniet op voorhand goede afspraken te maken met luchtvaartmaatschappijen dan dat wordt teruggegrepen naar het strafrecht.

De overheid heeft namelijk met een andere luchtvaartmaatschappij een Memorandum of Understanding gesloten dat naleving van de Vreemdelingenwet beoogt en de daarop gebaseerde regelgeving primair met een convenant te regelen. Op die manier hoeft strafrechtelijke handhaving in principe niet aan de orde te komen. In essentie komt het erop neer dat de betreffende luchtvaartmaatschappij in ruil voor intensievere controles van valse of vervalste reisdocumenten en visa dan normaal van een vervoerder wordt verwacht, voor aangevoerde verwijtbare zaken in beginsel niet zal worden bestraft. Zolang de afgesproken quota aan overtredingen niet worden overschreden zal het Openbaar Ministerie niet tot vervolging overgaan.

Het juridische punt in de strafrechtelijke zaken tegen de (andere) luchtvaartmaatschappijen was of de vervolging door het Openbaar Ministerie in strijd was met de algemene beginselen van een behoorlijke procesorde. Het hof oordeelt dat dit het geval is. Nu door de Nederlandse Staat is afgeweken van de vervolgingsrichtlijnen in een specifiek geval, had het op de weg van de overheid gelegen de andere luchtvaartmaatschappijen een vergelijkbaar Memorandum of Understanding aan te bieden. Verder is niet gebleken dat het aan de vervolgde luchtvaartmaatschappijen heeft gelegen dat geen Memorandum of Understanding is afgesloten. Tevens mochten de luchtvaartmaatschappijen erop vertrouwen dat het Openbaar Ministerie (eerst) in overleg zou treden naar aanleiding van een gering aantal overtredingen. Dit is eveneens nagelaten door de overheid. Niettemin werden de maatschappijen ineens geconfronteerd met een strafrechtelijk onderzoek. Op die gronden oordeelt het hof dat het Openbaar Ministerie de beginselen van een behoorlijke procesorde, te weten het vertrouwensbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het verbod op willekeur, heeft geschonden door tot vervolging van de luchtvaartmaatschappijen over te gaan. Het hof overweegt ook expliciet dat “in deze omstandigheden geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie – zonder het verbod van willekeur te schenden – heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting) van de strafvervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn”. Het Openbaar Ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging.

Wij menen dat dit een geheel terecht oordeel is, dat niet in cassatie getoetst behoeft te worden. De les uit dit arrest is dat de overheid zou moeten inzetten op andere wijzen van het mogelijk naleven van de wetgeving in plaats van “zomaar” strafrechtelijk te vervolgen. Dat wekt ten minste de indruk dat de wens om koste wat kost te vervolgen de overhand heeft, in plaats van de inzet van strafrechtelijk ingrijpen als ultimum remedium.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl. Uiteraard is het ook mogelijk om over dit onderwerp te praten in een digitale Vaklunch on demand.

Geen reacties

Plaats een reactie