#239: De pleitbaarheid in het strafrecht

Het leerstuk van het pleitbare standpunt blijft de gemoederen bezig houden. In Vaklunch #215  bespraken wij het inmiddels welbekende arrest van de Hoge Raad in de zogenaamde Credit Suisse zaak. In deze zaak heeft de Belastingkamer van de Hoge Raad duidelijkheid gegeven over de toepassing van het pleitbare standpunt. In de praktijk kwam de vraag op of de strafkamer van de Hoge Raad hetzelfde oordeel zou huldigen. Inmiddels geeft de strafkamer van de Hoge Raad hier in het arrest van 3 oktober 2017  duidelijkheid over.

Een pleitbaar standpunt is een opvatting over de kwalificatie van de feiten of de toepassing van het recht op die feiten die in redelijkheid verdedigbaar is. Dat wil zeggen dat voor het ingenomen standpunt – ook al wordt dit uiteindelijk door de rechter onjuist bevonden – zodanige argumenten zijn aan te voeren dat niet kan worden gezegd dat de betrokkene dermate lichtvaardig heeft gehandeld dat het aan zijn opzet of grove schuld is te wijten dat te weinig belasting wordt geheven.

De Belastingkamer van de Hoge Raad oordeelde in het arrest van 21 april 2017  dat de vraag of sprake is van een pleitbaar standpunt naar objectieve maatstaven beoordeeld moet worden. De Hoge Raad liet zich echter ook uit over de relatie met het strafrecht. De Belastingkamer overwoog dat als de betrokkene ten tijde van het doen van een aangifte – naar objectieve maatstaven gemeten – redelijkerwijs kon en mocht menen dat deze aangifte juist en volledig was geen sprake is van het opzettelijk doen van een onjuiste of onvolledige aangifte. Voor voorwaardelijke opzet is immers op zijn minst nodig dat iemand bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij ten onrechte geen, een onjuiste of onvolledige aangifte heeft gedaan. Echter, indien sprake is van een objectief pleitbaar standpunt dan is de kans dat de aangifte onjuist zou zijn per definitie niet aanmerkelijk.

Hoewel de Hoge Raad hecht aan rechtseenheid hecht – zo blijkt ook uit de installatierede van mr. Feteris , de president van de Hoge Raad, – was er nog geen duidelijkheid over de vraag of de strafkamer hetzelfde standpunt zou innemen als de Belastingkamer. Daar brengt de strafkamer in het arrest van 3 oktober 2017 verandering in. De Hoge Raad casseert overigens op basis van het middel dat ziet op het oordeel van het Hof omtrent de bewijsbestemming van een bezwaarschrift. Zonder dit interessante oordeel tekort te willen doen trekt de strafkamer de aandacht in dit arrest door op te merken dat het eerste middel – dat ziet op de verwerping door het Hof van het verweer dat sprake is van een fiscaal pleitbaar standpunt – geen behandeling meer behoeft, maar wel van de gelegenheid gebruik maakt iets over het pleitbare standpunt op te merken.

In r.o. 4 te verwijst de strafkamer naar het oordeel van de Belastingkamer van de Hoge Raad over het objectief pleitbare standpunt in het arrest van 21 april 2017. De strafkamer citeert in deze ‘overweging ten overvloede’ het oordeel van de Belastingkamer ten aanzien van het pleitbare standpunt in relatie tot het strafrecht zoals hiervoor toegelicht. Opmerkelijk is overigens nog dat de advocaat-generaal in zijn conclusie van 6 juni 2017  geen woorden vuil maakt aan het eerdere arrest van de Belastingkamer. Niettemin kan uit het arrest van de Hoge Raad worden opgemaakt – wellicht als reactie op de conclusie van de advocaat-generaal? – dat de strafkamer het oordeel van de Belastingkamer omtrent objectieve pleitbare standpunt als uitgangspunt neemt. Ook in een fiscale strafzaak is het voor de verdediging aldus van belang om te beoordelen of het fiscaal ingenomen standpunt objectief verdedigbaar is.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

Geen reacties

Plaats een reactie