#429: Niets te verbergen

“Mensen die niet meewerken aan het verstrekken van informatie aan de inspecteur, hebben iets te verbergen.” In de praktijk legt de inspecteur dit nogal eens ten grondslag aan de stelling dat opzettelijk is gehandeld. Maar deze gevolgtrekking gaat niet op in het fiscale boeterecht. Dit kwam en passant ook aan bod in de – overigens om meerdere redenen zeer lezenswaardige – uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 10 juni 2021. In die zaak vernietigde de rechtbank een fiscale boete. In deze Vaklunch beperken we ons tot dit onderwerp.

In deze casus legde de inspecteur een boete op aan een belastingadviseur wegens het medeplegen aan overtreding van artikel 67e AWR. Het verwijt dat aan het adres van de adviseur werd gemaakt, betrof – kortgezegd – dat aan opzet of grove schuld van de adviseur te wijten was dat geen Nederlandse vennootschapsbelasting was geheven van een aantal Maltese vennootschappen. De adviseur nam ten aanzien hiervan de stelling in dat objectief pleitbaar was dat de vennootschappen op Malta waren gevestigd.

Een pleitbaar standpunt is een opvatting over de kwalificatie van de feiten of de toepassing van het recht op die feiten die in redelijkheid verdedigbaar is. Dat wil zeggen dat voor het ingenomen standpunt – ook al wordt dit uiteindelijk door de rechter onjuist bevonden – zodanige argumenten zijn aan te voeren dat niet kan worden gezegd dat de betrokkene dermate lichtvaardig heeft gehandeld dat het aan zijn opzet of grove schuld is te wijten dat te weinig belasting wordt geheven. De boetebeschikking dient dan te worden vernietigd. Wij schreven hier onder meer over in Vaklunch #187, #215 en #239.

De rechtbank komt na een uitgebreide beschouwing tot de conclusie dat het beroep op het namens de adviseur ingenomen pleitbaar standpunt slaagt, waardoor geen sprake kan zijn van opzet of grove schuld (zie wederom ook Vaklunch #187, #215 en #239). Dat leidt tot de conclusie dat de boete vernietigd moet worden.

De rechtbank gaat vervolgens onder meer in op het gebruik van vermoedens bij het bewijzen van opzet en/of grove schuld. Kennelijk had de inspecteur daarvan gebruik gemaakt door gewicht toe te kennen aan het feit dat de adviseur niet had voldaan aan het verzoek de e-mailcorrespondentie tussen de adviseur en 1) diens medewerkers en 2) de klant te overleggen. De adviseur beriep zich daarbij – volgens de geheimhoudingskamer van de rechtbank terecht – op artikel 8:29 Awb (zie hierover ook Vaklunch #242) en stelde dat deze correspondentie geheim moest blijven.

In overweging 61 concludeert de rechtbank, onder verwijzing naar een arrest van de Hoge Raad van 15 april 2011, dat aan het niet-verstrekken van de correspondentie geen zelfstandig gewicht kan worden toegekend. Bovendien stelt de rechtbank het niet-verstrekken van correspondentie op één lijn met zwijgen; beide omstandigheden leveren volgens de rechtbank geen zelfstandig bewijsmiddel op maar kunnen alleen bijdragen aan de overtuigingskracht van de reeds aanwezige bewijsmiddelen voor opzet. Het is duidelijk dat de rechtbank bij dit oordeel de onschuldpresumptie zoals opgenomen in artikel 6 lid 2 EVRM goed in het vizier heeft gehad, en terecht.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl en boer@hertoghsadvocaten.nl.

Geen reacties

Plaats een reactie