#415: Paal en perk aan witwasvervolgingen

In Vaklunch #161 schreven wij al over de inkeerbepaling van artikel 69, lid 3 AWR. Deze staat in de weg aan strafvervolging op grond van artikel 69, lid 1 en lid 2 AWR indien de belastingplichtige alsnog de juiste en volledige aangifte doet vóórdat hij redelijkerwijs moet vermoeden dat men hem op het spoor is. Toch komt het in de praktijk voor dat het Openbaar Ministerie na een succesvolle inkeermelding kiest voor strafrechtelijke vervolging voor witwassen. Bijvoorbeeld door een onderzoek te starten naar witwassen met een zogenaamd ongeïdentificeerd gronddelict. Daarmee wordt de blokkade van een onderzoek naar belastingfraude als gronddelict omzeild. Gerechtshof Den Bosch maakt daar in een interessant arrest korte metten mee.

Naar aanleiding van het arrest van 7 oktober 2008, waarin de Hoge Raad oordeelde dat een fiscaal delict als gronddelict voor witwassen kan dienen, zijn destijds Kamervragen gesteld. Aandacht werd gevraagd voor de ‘angst’ die het arrest uit 2008 veroorzaakte dat belastingplichtigen geen gebruik meer zouden maken van de inkeerregeling omdat een risico bleef bestaan dat de belastingplichtige, ondanks de inkeermelding, voor witwassen zou worden aangepakt. Dit leidde tot een afspraak tussen het Openbaar Ministerie en de Belastingdienst dat geen strafvervolging voor witwassen zou worden ingesteld in het geval het gronddelict verband hield met belastingontduiking van het ingekeerde vermogen.

Ondanks deze afspraak deed deze situatie zich voor in het arrest dat het hof Den Bosch op 16 maart 2021 wees. De rechtbank achtte het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de strafvervolging en heeft het ten laste gelegde witwassen bewezen verklaard. De verdachte kreeg een taakstaf van 180 uur opgelegd en een geldbedrag van € 393.916,56 werd verbeurd verklaard. Hof Den Bosch maakt daar korte metten mee. Het hof is van oordeel dat sprake is van voldoende bewijs op grond waarvan een rechtstreeks verband valt te leggen tussen het gestorte geld en een bepaald misdrijf. Uitgaande van de verklaring van de verdachte heeft hij zich volgens het hof schuldig gemaakt aan het opzettelijk onjuist doen van aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2002 tot en met 2012. In principe kan het strafbare witwassen dus bewezen worden verklaard.

Het hof oordeelt echter dat de uitsluitingsgrond om te vervolgen voor het opzettelijk doen van onjuiste belastingaangiften als bedoeld in artikel 69, lid 3, AWR analoog moet worden toegepast om te voorkomen dat de inkeerbepaling illusoir wordt. Nu slechts in rechte kan worden vastgesteld dat het niet of onjuist doen van aangiften inkomstenbelasting als gronddelict voor het witwassen kan worden aangemerkt, kan de conclusie volgens het hof geen andere zijn dan dat de verdachte “feitelijk ter zake van het desbetreffende feitencomplex is vervolgd, maar dan op de voet van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht”. De beginselen van een behoorlijke procesorde brengen onder deze bijzondere omstandigheden met zich dat na de rechtsgeldige inkeer niet alsnog ter zake van witwassen zou mogen worden vervolgd.

Ons inziens is dit een terechte beslissing. Deze analoge toepassing zou ons inziens overigens ook moeten gelden voor de blokkade om strafrechtelijk te vervolgen voor het doen van onjuiste belastingaangiften indien reeds sprake is geweest van fiscale beboeting voor datzelfde feit. Indien in die situatie ook wordt vervolgd voor witwassen met belastingfraude als gronddelict, gaat het immers ook om hetzelfde feitencomplex. En ook dan zouden het ne bis in idem-beginsel en het una via beginsel illusoir worden indien die strafrechtelijke vervolging niet strijdig met de beginselen van een behoorlijke procesorde zou worden geacht.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl. Uiteraard is het ook mogelijk om over dit onderwerp te praten in een digitale Vaklunch on demand.

Geen reacties

Plaats een reactie