#283: Ontnemingsvorderingen en fiscaliteiten

Deze week gaat de Vaklunch opnieuw over de ontnemingsvordering. Maar dit keer over enige aspecten van de fiscale behandeling van een ontnemingsvordering. De vraag is: hoe ga je om met een ontnemingsvordering in je belastingaangifte? De Belastingkamer heeft hier op 18 mei 2018  een uitspraak over gedaan die recent is gepubliceerd.De belastingplichtige heeft in de onderhavige zaak betoogd dat zij een voorziening wil vormen voor het bedrag van € 147.016,69 voor wat betreft de inkomstenbelasting over het jaar 2012. Op 11 maart 2015 is een ontnemingsrapportage opgesteld, die tot de stukken van het geding behoort. In deze rapportage is het wederrechtelijk verkregen voordeel (hierna ook: het WVV) van belanstingplichtige berekend op € 147.016,69. De belastingplichtige voert daartoe aan dat – nu er in de strafrechtelijke sfeer volgens de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad geen rekening kan worden gehouden met de belastingheffing – het van belang is om in het kader van de fiscale procedure na te gaan of de betaling van de ontnemingsmaatregel in fiscale zin tot herstel van de rechtmatige toestand leidt. Zij wijst in dat verband op de Aanwijzing Ontneming  van 16 februari 2009, paragraaf 13.

In voornoemde paragraaf staat onder andere dat over strafrechtelijk ontnomen wederrechtelijk verkregen voordeel uiteindelijk geen belasting verschuldigd is. De belastingrechter gaat verder niet in op de stelling van de belastingplichtige om voor het bedrag een voorziening te vormen en stelt enkel dat het WVV nog niet is betaald. Om die reden mag het bedrag volgens het Hof niet in aftrek worden genomen. Het Hof accepteert dus niet dat een voorziening wordt gevormd zolang het WVV nog niet is betaald.

De vraag is of de betaling van de vordering het enige uitgangspunt bij het beoordelen van de fiscale behandeling van de ontnemingsvordering. Bepleit wordt ook wel dat een dergelijke vordering aftrekbaar is in box 3. De rechtbank Arnhem oordeelde op 6 september 2011 dat een ontnemingsvordering wel aftrekbaar is in box 3 omdat de belanghebbende al wist dat hij onrechtmatig had gehandeld, hij al aansprakelijk was gesteld en de FIOD al onderzoek deed, zodat op dat moment al sprake was van een ‘juridisch afdwingbare en voldoende bepaalbare verplichting’.

Het nadeel van deze redenering van de rechtbank is dat een belastingplichtige dus eigenlijk de hoogte van het WVV moet erkennen alvorens zij het in aftrek mag nemen. Dit terwijl de schuldvraag en de ontnemingsvordering vaak nog geenszins vaststaan.

De fiscale behandeling van de ontnemingsvordering blijft aldus een heikel punt waarbij het kan helpen om een en ander in goed overleg met de Belastingdienst te doen.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

 

Geen reacties

Plaats een reactie